logo
 
zoek
    print
 
 

Pieter Dolk (1916-2010), vriendschap voor het leven in Vught

Trompettist Pieter Dolk kwam in maart 1943 na zijn arrestatie in Kamp Vught terecht, samen met musici als Nico Richter, Marius Flothuis, Everard van Royen en Piet van den Hurk. Het gezamenlijk musiceren tijdens concerten voor medegevangenen leidde tot levenslange vriendschap. 

“Op een gegeven moment moesten bij het ochtendappèl alle musici naar voren treden. Het bleek dat er een kamporkest moest komen. De kampcommandant was een ijdeltuit, die wilde een statussymbool! Er was in het kamp een aantal muziekinstrumenten aanwezig, door de SS gestolen, meestal van weggehaalde joden. Niet-aanwezige instrumenten moesten we van huis laten komen. Dirigent werd Piet van den Hurk, destijds dirigent van het NCRV-orkest. De bezetting was wisselend, door de transporten naar Westerbork en Duitsland en door nieuw binnengekomen gevangenen.”

"Het repertoire bestond uit populaire klassieke stukken en salonmuziek. ... Ook waren er optredens in het genre van Johnny & Jones, een populair radioduo voor de oorlog. ... Er was één persiflage, over de trein naar het Lager. We repeteerden 's ochtends, 's middags waren Everard van Royen ik schoonmakers, we moesten vloeren boenen en pleeën schrobben in de ziekenbarak."

"We hadden eenmaal in de week een optreden in de muziekbarak en een keer of drie in totaal speelden we voor de SS Kommandantur op de binnenplaats. Er kwamen ook wel eens SS-ers in de muziekbarak luisteren. Eens regende het, maar we moesten in de openlucht spelen, met de strijkers. De meeste optredens werden goed bezocht. Op een keer zat er vrijwel niemand in de zaal. De mensen hadden 's ochtends vroeg appèl, moesten de hele dag hard werken en hadden niet altijd zin om 's avonds nog eens naar het kamporkest te gaan luisteren. Maar in dit geval was de zaal zo leeg, dat de Oberscharführer vond dat het gewoon niet kon. Uit de barakken werden de mannen opgetrommeld. Ze moesten allemaal als de bliksem naar het concert en werden letterlijk en figuurlijk de zaal ingeslagen."

Tijdelijke bescherming door kamporkest
“Het orkest werd een arbeidscommando, er waren dagelijks repetities, alleen de optredens waren minder frequent dan in het muziekleven van de normale maatschappij.” Deelname aan het orkest betekende vrijstelling van de uitputtende buitencommando’s en voor joodse musici ook tijdelijke bescherming: “Het was een beroepsorkest van misschien twintig of vijfentwintig man. ... Het waren overwegend joodse mensen… Er was een gitarist, een ‘joods strafgeval’, Max Groen, een van de weinige joden die de oorlog overleefden. Gomez de Mesquita speelde blokfluit. Dat kon natuurlijk helemaal niet, hij deed voor spek en bonen mee. Om ze te beschermen [uitstel van transport] zei Van den Hurk altijd dat hij die gitaar en blokfluit in zijn orkest nodig had. ... We waren blij dat we als musici minder risico liepen.”

Maar na een maand of vier werd het orkest opgeheven: “De ijdele kampcommandant Chmielewski werd van zijn functie ontheven en zijn opvolger Grünewald vond het maar veel te mooi voor een concentratiekamp. Hij ontbond het orkest en liet de musici weer onderbrengen in de ‘normale’ werkcommando’s. Nadien werd er echter, maar nu in vrije tijd, nog steeds veel muziek gemaakt, doch nu uitsluitend kamermuziek. Voor de gevangenen betekenden die kamermuziekavonden in het kamp vooral: uitrusten na een dag hard werken, maar ook de mogelijkheid om de ellende even te vergeten”.

Vriendschap voor het leven met Richter, Flothuis en Van Royen
‘Concert in Vught – voorjaar 1944’, Arie Emens. Aan dit kamermuziekconcert op 2 april 1944 werkten behalve Pieter Dolk ook Hans Domisse (viool), Marius Flothuis (piano) en Everard van Royen (fluit) mee. Flothuis en Van Royen brachten die avond de fluitsonate in première die Flothuis in het kamp had gecomponeerd, de Sonata da Camera, op. 17, 1943.
‘Concert in Vught – voorjaar 1944’, Arie Emens. Aan dit kamermuziekconcert op 2 april 1944 werkten behalve Pieter Dolk ook Hans Domisse (viool), Marius Flothuis (piano) en Everard van Royen (fluit) mee. Flothuis en Van Royen brachten die avond de fluitsonate in première die Flothuis in het kamp had gecomponeerd, de Sonata da Camera, op. 17, 1943.
Tussen Pieter, Nico Richter (1915-1945), Marius Flothuis (1914-2001) en Everard van Royen (1913-1987) ontwikkelde zich een vriendschap voor het leven. Hun levens draaiden om muziek. Nico Richter (arts, violist, componist) had in Amsterdam al een goede reputatie als musicus toen hij werd verraden en opgepakt. Hij was van januari tot half november 1943 in Kamp Vught, waar hij deelnam aan het kamporkest en minstens één uitvoering van kamermuziek, op 1 augustus 1943. Pieter leerde hem kennen als 'een buitengewoon muzikaal, sympathiek en warmvoelend mens'. Nico Richter keerde na de bevrijding doodziek terug uit Auschwitz. Op 16 augustus zou Pieter voor een laatste afscheid bij hem op bezoek gaan, maar het was al te laat. Richter stierf in de nacht van 15 op 16 augustus 1945.

Flothuis componeerde in Kamp Vught voor Van Royen de Aubade voor fluit solo en een fluitconcert, dat door hem met het Radio Kamerorkest onder leiding van Bertus van Lier kort na de bevrijding ziin première beleefde. Voor Pieter componeerde hij, eveneens in Kamp Vught, de Aria voor trompet en piano. Pieter woonde na de oorlog lange tijd bij ‘Flot’ in huis, dicht in de buurt woonden Everard en zijn vrouw Guusje (claveciniste Gusta Goldschmidt). Tot het einde van hun leven heeft Pieter intens contact met hen onderhouden. De ervaringen in Kamp Vught en de persoonlijke vriendschap met Flothuis en Van Royen waren essentieel voor de ontwikkeling van Pieter als musicus – en als mens.

De Nachtegaal van Vught

Arrestatie
Pieter was op 16 december 1942 gearresteerd ‘wegens Jodenbegunstiging’, aldus de bekendmaking in de plaatselijke krant. Hij had hulp verleend aan joodse musici die belangrijk voor hem waren: zijn leraar piano en muziektheorie Carel Drukker, Jack en Clara de Vries (de muzikaal begaafde en befaamde kinderen van zijn trompetleraar Arend de Vries) en de bekende trompettist/violist Louis Bannet, met wie Pieter wel eens ‘schnabbelde’. Tijdens een reis naar het onderduikadres van laatstgenoemde werd Pieter geschaduwd en vervolgens verraden.

Vrijlating en vervolg
Na zijn vrijlating, op 12 april 1944, ging Pieter naar Amsterdam. Muziek was niet meer weg te denken uit zijn leven. Was hij tot zijn arrestatie nog amateurtrompettist, na kamp Vught begon zijn carrière als beroepsmusicus. Eerst in de lichte muziek (onder meer bij Thom van der Stap en zijn Witte Raven), vervolgens na de bevrijding in de serieuze, klassieke, oude en hedendaagse muziek. Hij volgde lessen bij Marinus Komst (solo-trompettist bij het Concertgebouw Orkest) en speelde bij het Orkest van de Nederlandse Opera, het Residentie Orkest en de Groningse Orkest Vereniging. Hij ontwikkelde zich tot dirigent van formaat van harmonieorkesten en werd ‘pionier van de baroktrompet’ (clarino).

Pieter Dolk in 2009 (foto: Nicole Janssen) Zijn sympathie voor het joodse volk gaf hij na de oorlog onder andere gestalte door de sjofar te leren bespelen, de ramshoorn. Als een van de weinigen ter wereld was hij in staat om uit de sjofar meer dan één toon te halen. Hij werkte hierin samen met het Collegium Musicum Judaicum van Chaim Storosum.
 
Muzikale wortels
Pieter groeide op in een muziekrijke familie in Zwijndrecht. Zijn vader speelde volksliedjes op een harmonica, zijn moeder zong graag, een oudere broer speelde klarinet in een harmonieorkest, en een tante had een ‘pattefoon’ waarop zij bij voorkeur opera’s draaide. Hij koos voor de trompet toen hij als jongen de trompettist van een groepje Duitse vluchtelingmuzikanten solo hoorde spelen. Hij kreeg les, eerst op piccolo en fluit, pas op zijn 16e, toen hij er groot genoeg voor was, op trompet. Zijn brood verdiende hij vanaf zijn 14e als kantoor- en winkelbediende in een levensmiddelenbedrijf. Hoewel aangesloten bij amusements- en jazz-groepjes van amateurs ging zijn hart uit naar klassieke muziek. Op voorspraak van componist Hugo de Groot werd hij in 1938 toegelaten tot de muziekschool van het Rotterdams Toonkunstconservatorium, waar Willem Pijper directeur was. Door de oorlog heeft hij zijn opleiding niet kunnen afmaken.

Tekst: Annette de Klerk
De eerste twee citaten zijn afkomstig uit de supplementen over Nederlandse musici in Theresiënstadt en kamp Vught, Theodore van Houten; Panta Rhei, 1995; zoals deze zijn opgenomen in 'Muziek in Theresienstadt 1941-1945', Joža Karas; Pendragon Press, 1990. 


Muziek
Links
Documenten