logo
 
zoek
    print
 
NL  »  Landen  »  Overzicht Nederland  »  Inleiding
 

Inleiding

In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog had het muziekleven in Nederland flink geleden onder de economische depressie. Musici, die toch al weinig verdienden, kregen het zwaar te verduren. In het muziekonderwijs en de orkesten stonden de salarissen onder druk. De solisten hadden veel concurrentie van buitenlandse musici, Nederlandse componisten ontvingen vrijwel geen nieuwe opdrachten. 

Partiturenbundel dertiger jaren (bron: collectie De Vries)
Partiturenbundel dertiger jaren (bron: collectie De Vries)
Ook in Duitsland had het muziekleven het financieel en moreel zwaar. Vanaf de machtsovername door Hitler in 1933 probeerde de nazipartij er een nationaalsocialistische staatsaangelegenheid van te maken. Nog in datzelfde jaar werd de Reichsmusikkammer opgericht. Met alle gevolgen van dien voor de joodse musici, die uit de muziekwereld moesten verdwijnen. Zoals de talentvolle zangeres Helge Domp en haar familie moesten ondervinden. Alle ‘niet-Arische’ muziek werd verboden en aangemerkt als Entartete Musik. Veel joodse musici en artiesten konden zowel creatief als financieel gezien geen kant meer op. Geleidelijk ontstond een centrale geleide structuur voor het muziekleven, met veel verboden en restricties.

Het muziekbestel in Nederland tijdens de oorlog
De cultuurpolitiek van het nationaalsocialisme kreeg ook in ons land al snel een sterke grip op het totale muziekbestel. De Kultuurkamer leidt tot verzet van kunstenaars; De Vrije Kunstenaar, 1942 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
De Kultuurkamer leidt tot verzet van kunstenaars; De Vrije Kunstenaar, 1942 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
"Vanaf oktober 1940 werd het muziekleven stapsgewijs gezuiverd van joden in het kader van de arisering", aldus historica Pauline Micheels. Aan het slot van het concertseizoen 1940-1941 waren 57 joodse orkestmusici ontslagen. Echter, de salariëring en de rijkssubsidies voor de orkesten werden in 1941 fors verhoogd. Het aandeel van de Nederlandse muziek in de programmering bij de orkesten en de omroep werd in korte tijd ruim verdubbeld en ook het nieuwe opdrachtenbeleid vanuit het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) werd ongekend ruimhartig voor de componisten. Hier tegenover stond ‘slechts’ het formele feit dat in 1942 alle musici in overheidsdienst, en zij die waren aangesloten bij vakorganisaties, automatisch werden aangemeld bij het Muziekgilde van de nieuw opgerichte Kultuurkamer.

Amusement
Ook het amusementsleven werd ‘genazificeerd’. Journalist en auteur Henk van Gelder stelt: "Amusementsmuziek kreeg evenals klassieke muziek te maken met de richtlijnen van het DVK. Het departement verbood 'volksvreemde en smaakbedervende muziek en teksten'. Jazz moest worden gekuist van 'negroïde' en Engelstalige elementen." Zo ontstond in de oorlogsjaren een grote hoeveelheid Nederlandse liedjes met herkenbare teksten voor het grote publiek.

Identiteit Nederlandse muziek
Tijdens de bezetting is redelijk veel muziek geschreven, vooral op Nederlandse teksten. De Nederlandstalige werken, niet alleen in het koorrepertoire, maar ook in het opera- en amusementsgenre, ontstonden door druk van het heersende naziregime. Nederlandse teksten waren een belangrijk middel voor het versterken van de vaderlandse identiteit. Alle Engelstalige muziek was verboden verklaard door de bezetter.

Toch kon Jan Goverts, hoofd Muziek van het DVK, in 1942 de identiteit van Nederlandse muziek niet duidelijk definiëren: “Het wezen van de Nederlandse componist is [...] op natuurlijke wijze verbonden aan zijn eigen voorgeslacht, zijn land en zijn volk. [...] Het begrip ‘Nederlandse muziek’ is goed beschouwd ook aanvechtbaar. Er kan wel zijn: muziek van Nederlandse componisten, die naar hun volksaard componeren.”

Aard klassieke muziek
In de moeilijke oorlogsjaren is, meer nog dan in vredestijd, vooral veel kamermuziek geschreven. Niet zo verwonderlijk, omdat klassieke componisten vooral schreven voor eigen familiaal gebruik, voor klein opgezette (illegaal georganiseerde) huisconcerten en voor kleine kamermuziekseries in allerlei concertzaaltjes. Ook is een behoorlijk aantal composities voor kerkelijk gebruik in de oorlog geschreven. Latijnse missen en motetten, psalm- en gezangbewerkingen en orgelcomposities konden vrijwel ongehinderd worden uitgevoerd in de toen talrijke goed bezette kerken.

De composities voor meer uitgebreide ensemblebezettingen tot symfonieorkest die in de oorlog zijn ontstaan, waren vaak compositieopdrachten van staatswege of van de Nederlandse omroep. Het waren opdrachten aan componisten die zich hadden aangemeld bij de Kultuurkamer. Ook ontstonden vele verzetsliederen, die vaak werden uitgevoerd op de liedavonden in het illegale concertcircuit.

Verloren kansen
Componisten en artiesten die geen ariërverklaring hadden ondertekend kregen het tijdens de bezetting steeds moeilijker om hun ‘verboden muziek’ toch uitgevoerd te krijgen. Onder de klassieke componisten waren dat bijvoorbeeld Hendrik Andriessen, Jan van Gilse, Rudolf Escher, Bertus van Lier en Marius Flothuis. Ook een aantal joodse componisten kreeg niet de kans om hun werken ten gehore te brengen, ze werden opgepakt en overleefden niet of ternauwernood de oorlog. Dat gold bijvoorbeeld voor Daniël BelinfanteDick KattenburgNico Richter en Leo Smit.

Vooral Escher reflecteerde op de oorlog in zijn werk. Flothuis vertelde in zijn gesprek met historicus Leo Samama: "Ik geloof dat diegenen die tijdens gevangenschap iets gecreëerd hebben, of dat nou gedichten zijn, een roman, composities of wat dan ook, dat het meer is uit een gevoel van 'dat wat constructief is, moet ik proberen te cultiveren tegenover alles wat om mij heen destructief is'. Want het was allemaal destructief, de meest zuivere menselijke waarden werden willens en wetens kapot gemaakt. [...] Voor mij is de Musique pour l'esprit en deuil [van Escher] het klinkende voorbeeld van iemand die door creativiteit teweerstelt tegen de destructie die om hem heen plaatsvindt."

Buiten deze componisten konden maar weinigen het opbrengen om vanuit idealisme of een beroepsmatige uitdaging meer omvangrijke partituren te creëren. De zware persoonlijke omstandigheden waaronder sommigen de oorlog hebben moeten doorbrengen, droegen niet bij aan geconcentreerde componeerarbeid. Velen waren niet in de stemming of gelegenheid om met enige regelmaat te componeren.

Stilistisch
Stilistisch gezien heeft de oorlog geen duidelijke artistieke breuk teweeggebracht bij de Nederlandse componisten. Historicus Leo Samama stelt: "...dat blijkt direct uit de vergelijking van een aantal partituren dat voor, tijdens en na de oorlog gecomponeerd werd. Bijvoorbeeld: de Derde Symfonie (1939) van Bertus van Lier, Musique pour l'Esprit en deuil (1941/1943) van Rudolf Escher en de Vierde Symfonie (Sinfonia concertante, 1954/55) van Guillaume Landré, of: de Zes Adagio's (1940) van Willem Pijper, de Symphonietta voor blazers (1943) van Willem van Otterloo en Symfonische Muziek (1957) van Marius Flothuis; of: het Tweede strijkkwartet (1936) van Henk Badings, het Tweede Strijkkwartet (1942, revisie 1959) van Guillame Landré en het Eerste Strijkkwartet (1954) van Lex van Delden. Het zijn slechts enkele voorbeelden, maar in elk van de composities bestaat een hecht verband tussen melodie en harmonie, tussen het verticale en horizontale tijdsverloop en tussen structuur en psychologische overdracht. Elk van deze componisten wil met zijn muziek iets zeggen, en zelfs al zal hij zich daar tijdens het compositieproces in het geheel niet van bewust zijn geweest, toch wekt zijn muziek de indruk volgens dezelfde idealen gemaakt te zijn als die van bijvoorbeeld Beethoven, Schumann of Brahms. 'Mens en melodie' is niet meer en niet minder dan een uiting van 'burgercultuur' oftewel: romantiek." (Nederlandse muziek in de 20-ste eeuw: voorspel tot een nieuwe dag, Leo Samama; Amsterdam University Press/Salomé, 2006.) Slechts enkele componisten ontwikkelden een belangstelling voor modernere seriële en zogeheten 'dodecafonische' muziek, met de twaalftoonstechnieken van de twintigsteeeuw.

Zuiveringen
"Zoo mijn vriend, wat heb je op je hart?"; z.d., auteur onbekend (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
"Zoo mijn vriend, wat heb je op je hart?"; z.d., auteur onbekend (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
De zuiveringen van het Nederlandse muziekleven, direct na de bevrijding, waren achteraf bezien een grote mislukking. De Ereraad voor de Muziek, die de vonnissen moest vellen, bestond in eerste instantie vooral uit collega’s uit de muziekwereld. Van nauwkeurig afgewogen juridische procedures was geen sprake. Alle musici aan wie maar enigszins een zweem van collaboratie kleefde, werden gestraft en voor een bepaalde tijd van het muziekleven uitgesloten. De meest geruchtmakende zaken waren die van Willem Mengelberg, Henk Badings en Rudolf Mengelberg. Na vele protesten moest uiteindelijk een Centrale Ereraad, die uit juristen bestond, de overhaaste en vaak weinig objectieve beslissingen van de eerste ereraden herzien. Zo werden vele eerdere uitsluitingen teruggedraaid en diverse musici ‘gerehabiliteerd’.

Verbeterde structuur in naoorlogse muziekleven
Na de oorlog kon de Nederlandse muziekwereld profiteren van een sterk verbeterde structuur. De arbeidsomstandigheden waren door vaste en hogere financiële inkomsten voor de musici, niet alleen in de orkesten, veel beter geworden. Het muzikale oeuvre van de Nederlandse componist kon worden vastgelegd bij het in 1946 opgerichte Donemus.

Tekst: Geert van den Dungen