logo
 
zoek
    print
 
 

Joodsch Symfonie-Orkest

De Duitse bezetter liet in 1941 alle joodse orkestmusici ontslaan. Zonder deze maatregel zou in Nederland nooit een Joodsch Symphonie-Orkest hebben bestaan. Het orkest bestond uit drieënzeventig musici en speelde acht maanden. De helft van de musici overleefde de oorlog.

Het Joodsch Symphonie-Orkest kwam voort uit de arisering. De oprichting van het orkest ging echter niet uit van joden zelf, maar van het Nederlandse Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). Het DVK moest het ontslag van joden in opdracht van de Duitsers regelen en koAankondiging oprichting JSO (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Aankondiging oprichting JSO (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
n de musici nu overhevelen naar een joods orkest. Dat dit slechts een tijdelijke oplossing van het door de bezetter gecreëerde 'jodenvraagstuk' was, werd door de meeste Nederlanders op dat moment nog niet doorzien.

Enthousiaste ontvangst openingsconcert
Op 16 november 1941 gaf het Joods Symfonie-Orkest zijn eerste concert. De enthousiaste recensie in Het Joodsche Weekblad, de enige officiële spreekbuis van joods Nederland tijdens de bezetting, liet aan duidelijkheid niets te wensen over: "Voor een tot de laatste plaats bezette zaal van den Joodschen Schouwburg heeft het Joodsch Symphonie-Orkest op Zondagmiddag 16 November zijn eerste openingsconcert gegeven. Het programma van deze uitvoering, waarop men voor de eerste maal mocht kennismaken met aard en kwaliteit van het nieuw-gevormde ensemble, was geheel aan Mendelssohn's muziek gewijd, dus aan de kunst van den grootsten en nobelsten figuur onder de Joodsche componisten. [...] In de weinige weken van voorbereiding heeft de dirigent Albert van Raalte uit de musici, die gerecruteerd werden uit nagenoeg alle Nederlandsche orkesten, een ensemble van verrassende homogeniteit weten te vormen."

Illusie van bescherming
Hoeveel joodse musici er precies waren bij het uitbreken van de oorlog is onbekend. Wel is zeker dat er in 1940 in de Nederlandse symfonieorkesten zevenenvijftig 'voljoodse' musici werkten. In de omroeporkesten zat ook een flink aantal en een nog veel groter aantal werkte in de amusementssector. Nadat ze waren ontslagen en arische musici hun plaats hadden ingenomen, moesten ze zich op de een of andere manier zien te redden. Protesten van orkestbesturen en dirigenten tegen hun ontslag mochten niet baten. Honderden musici probeerden zich een plek te verwerven in het orkest.

Drieënzeventig musici hadden het geluk na een officieel proefspel deel te mogen nemen aan het orkest. Meer dan de helft hiervan was afkomstig uit de symfonie- en radio-orkesten, de overigen kwamen uit de amusementshoek of rechtstreeks van het conservatorium. Het officiële karakter van het orkest versterkte het gevoel dat ze nu, al was het maar tijdelijk, een zekere bescherming genoten. Later zouden ze ervaren dat ze uiteindelijk even vogelvrij waren als hun lotgenoten.

Joodse musici voor een joods publiek
Het orkest was uniek in de Nederlandse geschiedenis. Het bestond alleen uit joodse musici, het repertoire beperkte zich tot muziek van joodse componisten en er mocht alleen voor een joods publiek worden opgetreden. De kosten kwamen voor rekening van de Van Leer Stichting. Hieraan had de joodse vatenindustrieel Bernard van Leer bij zijn vertrek in juni 1941 naar Amerika 150.000 gulden gedoneerd voor joodse culturele doelen. De speelruimte waarin het orkest moest opereren was klein. In de praktijk waren het de Duitsers die de gang van zaken bepaalden. Joods Symfonie-Orkest onder leiding van Albert van Raalte in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, 1941-1942 (bron: Joods Historisch Museum)
Joods Symfonie-Orkest onder leiding van Albert van Raalte in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam, 1941-1942 (bron: Joods Historisch Museum)

Deportaties maken einde aan illusie
Het orkest zou in de acht maanden van zijn bestaan vijfentwintig concerten geven. Alle in de Joodsche (voorheen Hollandsche) Schouwburg in Amsterdam, alle zo goed als uitverkocht. Het moest zijn activiteiten staken toen in juli 1942 de deportaties begonnen.

Helft musici overleeft oorlog
De helft van de musici van het orkest overleefde de oorlog, wat overeenkomt met het aantal joodse overlevenden uit de acht symfonieorkesten. Dat is veel als men bedenkt dat van alle Nederlandse joden een kwart de oorlog overleefde. Ongeveer twintig procent van de joodse orkestmusici was gemengd gehuwd en dat maakte hen vooralsnog minder kwetsbaar. Zes musici, van wie vijf leden van het Concertgebouworkest, belandden op een lijst van 'beschermde' Nederlandse joden en overleefden de oorlog in Theresienstadt, het kamp voor zogenoemde Verdienstjuden. De rest was ondergedoken of keerde terug uit de concentratiekampen. Zevenendertig musici uit het Joodsch Symphonie-Orkest overleefden de oorlog niet.

Zie ook documenten Joodsch Symfonie-Orkest in de Wegwijzer Nederland/Muziekleven, organisatie.

Tekst: Pauline Micheels