logo
 
zoek
    print
 
NL  »  Landen  »  Overzicht Nederland  »  Na de bevrijding
 

Na de bevrijding

Nauw verbonden met de muziekgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog is de periode na de bevrijding. Vrijwel direct na de bevrijding begonnen de zuiveringen in het muziekleven. Het gedrag en de houding van musici werd nauwkeurig onder de loep genomen. Een aantal nieuwe regelingen, door de overheid in de oorlog ingevoerd, konden niet meer worden teruggedraaid. Hoe verderfelijk de nazi-ideologie waaruit ze waren voortgekomen ook werd ervaren.

Terug naar de situatie van voor de Tweede Wereldoorlog was onmogelijk. Het idee dat kunst óók een regeringszaak behoorde te zijn werd niet meer losgelaten. In het de eerste naoorlogse kunstbegroting waren veel posten en begrotingscijfers van het inmiddels opgeheven Departement van Volksvoorlichting en Kunsten terug te vinden. Alleen al voor subsidies aan de orkesten werd 1,3 miljoen gulden uitgetrokken. Ter vergelijking: in 1943 begrootte het departement ruim negen ton. En het was tienmaal zoveel als het bedrag dat in 1939 voor de orkesten was bestemd. Ook bleef de overheid zich na de oorlog inzetten voor de kunsten met subsidies, beurzen en prijzen. Met de oprichting van Donemus, uitgeverij en documentatiecentrum van Nederlandse muziek, werd de promotie van Nederlandse muziek centraal georganiseerd.

Ereraad voor de muziek oordeelt over musici
Direct na de oorlog werd over dit soort zaken weinig gesproken. Men had wel iets anders aan het hoofd, zoals een grondige zuivering van kunstenaars. Daarvoor waren al tijdens de oorlog plannen opgesteld door het kunstenaarsverzet, dat van mening was dat de zuivering niet vroeg genoeg kon beginnen. In juni 1945 ging de muziekzuivering al van start. Deze werd uitgevoerd door een Ereraad voor de muziek, samengesteld uit vijf lekenrechters. Deze als 'goed' bekendstaande musici en hoogleraren moesten oordelen over het gedrag van (collega-)musici tijdens de voorafgaande jaren. Soms werd een musicus gehoord, soms ook niet, wat een oordeel of vonnis niet in de weg stond. Advocaten waren niet toegestaan en tegen een uitspraak van de Ereraad was geen beroep mogelijk. Willem Mengelberg, op dat moment in Zwitserland, werd door de Ereraad voor zijn houding in de oorlog veroordeeld tot levenslange uitsluiting van het Nederlandse concertpodium. Henk Badings, niet gehoord maar verdacht van NSB-sympathieën, werd evenals Jan Goverts voor de tijd van tien jaar van alle vormen van deelneming aan het openbare muziekleven uitgesloten. Ook Jan Koetsier kreeg danig met de Ereraad te maken.

Chaotisch verloop muziekzuivering
De muziekzuivering verliep chaotisch en verloor al na enkele maanden de belangstelling van het publiek. Niet alleen ontbrak een goede structuur, er was ook geen wettelijke basis voor de zuivering. Deze bleef daardoor in lekenrechtspraak steken. Pas in het voorjaar van 1946 werd de mogelijkheid geschapen in beroep te gaan. Bij wet werd toen een juridisch beroepscollege, de Centrale Ereraad, opgericht. Veel veroordeelde musici gingen in beroep. De Centrale Ereraad deed zijn juridische werk naar behoren en kwam tot aanzienlijk mildere uitspraken. Toch werden de vonnissen van de eerste Ereraad de veroordeelden nog jarenlang nagedragen, zeker waar het de uitspraken van de zomer van 1945 betrof. Ook al waren deze 'herzien' door de Centrale Ereraad.

Tekst: Pauline Micheels