logo
 
zoek
    print
 
 

Organisatie concertleven

In het begin van de Tweede Wereldoorlog lieten de Duitsers musici nog de vrije hand, maar de Duitse ideologie liet zich snel gelden. Begin oktober 1940 werden de eerste anti-joodse maatregelen ingevoerd. In de loop van 1941 werden musici collectief aangemeld bij de Nederlandse Kultuurkamer. Muziek werd een staatszaak, en zou dat ook na de oorlog blijven.

Nederland kende tijdens de bezetting twee overheden, een Duitse en een Nederlandse. Aan het hoofd van de Duitse, het Reichskommissariat für die besetzten niederlandischen Gebiete, stond Dr. Arthur Seyss-Inquart. Als groot muziekliefhebber organiseerde hij in Den Haag talrijke concerten bij hem thuis, op het landgoed Clingendael. Hij bezocht graag de concerten van het Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg, de chef-dirigent die als uitgesproken pro-Duits bekend stond.

Oprichting Departement van Volksvoorlichting en Kunsten
Het Nederlandse overheidsapparaat werd vijf maanden na de bezetting uitgebreid met een ministerie van propaganda, waaronder ook de sector 'kunst' ressorteerde. Dit nieuwe Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) was geheel op nationaalsocialistische leest geschoeid en volgde geVlnr: Goedewaagen, hoofd DVK; De Ranitz opvolger Goedewaagen in 1943; Goverts, hoofd Muziekgilde (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Vlnr: Goedewaagen, hoofd DVK; De Ranitz opvolger Goedewaagen in 1943; Goverts, hoofd Muziekgilde (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
willig de ideologische en bestuurlijke lijn van het Rijkscommissariaat. De medewerkers waren veelal lid van de NSB, de Nationaal Socialistische Beweging. Het ambtelijk niveau van de meesten was ver beneden de maat. De enige uitzondering vormde het hoofd van de afdeling Muziek, Jan Goverts, een musicus en journalist. Goverts was vooral een idealist, die voor de musici een aantal belangrijke sociale verbeteringen wist door te voeren.

Drang tot samenwerking in eerste bezettingsmaanden
Voor het echter zover was, had de schok van de bezetting in mei 1940 heel wat losgemaakt in het Nederlandse kunstleven. Er had zich van de Nederlandse kunstenaars een plotselinge drang tot eenheid en samenwerking meester gemaakt. Dat had al in diezelfde meimaand geleid tot de oprichting van een Nederlandsche Organisatie van Kunstenaars. Eendracht maakte immers macht. In een poging de zaak in eigen hand te houden zou die organisatie een goede basis vormen van waaruit met de bezetter kon worden samengewerkt. Tevergeefs, zo werd al snel duidelijk. Eerst hadden onderlinge ge¬schillen de zaak verlamd en vervolgens was de organisatie van hogerhand ontbonden.

Roep om Nederlandse muziek
Ook was in die eerste bezettingsmaanden overal een roep om waarachtige en vooral Nederlandse muziek hoorbaar. Veel Nederlanders hadden zich door de Duitse bezetting verraden gevoeld en een grote angst gekregen voor een ongewenste bemoeienis van Duitse zijde op het Nederlandse muziekleven. "In de ontzagwekkende strijd, dien wij beleven", aldus de musicoloog Karel Bernet Kempers, "verdedigen ook wij onze burcht, de burcht der schoonheid, waarin de kostbaarste schatten der menschheid door de eeuwen heen zijn saamgebracht." De componist Marius Monnikendam schreef: "Is de muziekkunst in Nederland zo armzalig, zo bloedarm in de historie geweest dat, nu iedereen over nationale bezinning en andere schone leuzen spreekt, er niets in de eigen toonkunst te ontdekken valt, dat de moeite waard is om een ereplaats te krijgen?"

Het meest spraakmakende artikel was in oktober 1940 verschenen. De componist Henk Badings had daarin gewezen op de kloof tussen componist en publiek en de daardoor ontstane exclusiviteit van de moderne muziek. "De dramatische gebeurtenissen van onzen tijd [...] hebben in bijna ieder het besef van lotsverbondenheid met zijn volksgemeen¬schap gewekt in een mate, zooals deze voordien niet bestond. De Nederlandsche compo¬nist moge in dit besef den moed tonen om uit zijn ivoren toren naar buiten te treden", aldus Badings.

De componist Willem Landré had de situatie niet als hopeloos ervaren: "De bezetters van ons vaderland moet men de eer geven welke hen toekomt. Muziek is voor de Duitschers een levensbehoefte, en zij zijn ten allen tijden bereid geweest zich voor den bloei van het muzikale leven belangrijke offers te getroosten. Dus houd ik mij er van overtuigd, dat zij die weer aan het bouwen gaan in het muziekleven niet de geringste tegenwerking van Duitsche kant zullen ondervinden, veeleer op medewerking kunnen rekenen."

Arisering muziekleven
Landré had zich in dat laatste toch enigszins vergist. Vanaf oktober 1940 werd het muziekleven stapsgewijs gezuiverd van joden in het kader van de arisering. In de loop van 1941 werd duidelijk dat van 'medewerking' van de kant van de Duitsers steeds minder te merken was. De rollen waren langzamerhand omgedraaid: de Duitsers Inwijding Kultuurkamer stadsschuoburg Den Haag, 30 mei 1942 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Inwijding Kultuurkamer stadsschuoburg Den Haag, 30 mei 1942 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
bepaalden het beleid en de Nederlanders werkten mee. De kunst, en dus ook de muziek, zou geheel volgens de nazi-ideologie een staatszaak worden.

Oprichting Nederlandsche Kultuurkamer
Jan Goverts was begin 1941 voortvarend te werk gegaan. Het vooroorlogse muziekleven was in zijn ogen een armetierige boel geweest, waarbij een voortdurend gebrek aan financiële middelen een bloeiend muziekbedrijf onmogelijk had gemaakt. Ook het structurele gekissebis tussen de verschillende muzikale belangengroeperingen had weinig goeds voortgebracht. De nieuwe orde, mogelijk geworden door de komst van de Duitsers, zou hierin verandering kunnen brengen. Een van zijn eerste doelen was te komen tot de oprichting van een Muziekkamer (later Muziekgilde) naar Duits model. Hierin zouden alle musici georganiseerd zijn als onderdeel van een overkoepelende corporatief opgebouwde Kultuurkamer. Ondanks grote inspanningen van zijn kant zou het nog tot het voorjaar van 1942 dGoedewaagen, Secretaris-Generaal DVK en President Nederlande Kultuurkamer, zet in een radiovraaggesprek met den heer L.G. Wybrands Marcussen, Hoofd van de Reportage-afdeeling van den Nederlandschen Omroep, de taak van de Cultuurkamer uiteen, 26 november 1941 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Goedewaagen, Secretaris-Generaal DVK en President Nederlande Kultuurkamer, zet in een radiovraaggesprek met den heer L.G. Wybrands Marcussen, Hoofd van de Reportage-afdeeling van den Nederlandschen Omroep, de taak van de Cultuurkamer uiteen, 26 november 1941 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
uren voordat de Nederlandsche Kultuurkamer in werking trad. Aanmelden was verplicht voor alle 'cultuurwerkers'. Wie zich niet aanmeldde was van elk cultuurberoep uitgesloten. Joden werden niet tot de Kultuurkamer toegelaten, evenals negers, Maleiërs en Indiërs. 

Forse salarisverhogingen voor musici
Voor Goverts was het van groot belang dat de overheid eindelijk eens het Nederlandse muziekleven financieel zou steunen. Aan de hongerlonen van de musici en aan hun soms bedroevende secundaire arbeidsvoorwaarden moest voor eens en altijd een einde komen. Dat was de plicht van de overheid en daarmee zou het hele Nederlandse volk zijn gediend. De eerste resultaten van zijn nieuwe beleid, dat geheel de goedkeuring van het Rijkscommissariaat had, werden in de tweede helft van 1941 merkbaar. Plotseling werden staatsprijzen uitgeloofd aan een groot aantal musici. Verschillende componisten kregen compositieopdrachten. Maar Goverts' grootste triomf was een nieuwe salarisregeling voor de symfonieorkesten, die in oktober 1941 van kracht werd. In één klap gingen de inkomens van de musici geweldig omhoog, wat mogelijk was geworden door een forse verhoging van de overAffiche 'Tweede Nederlandsche Radiomuziekfeest', Concertgebouw Amsterdam, 12-19 sepbembre 1942 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Affiche 'Tweede Nederlandsche Radiomuziekfeest', Concertgebouw Amsterdam, 12-19 sepbembre 1942 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
heidssubsidies voor de orkesten.

Verboden muziek
In ruil voor deze aandacht en de royale financiële gebaren eiste de overheid een groot aantal tegenprestaties. Een regen van maatregelen, regelingen en verboden daalden op de Nederlandse musici neer. Al deze zaken werden door het departement en het Rijkscommissariaat nauwgezet gecontroleerd. Allereerst werd het muziekrepertoire aangepast aan de eisen van de bezetter. Muziek van joodse, Engelse, Poolse (uitgezonderd Chopin) en later ook Russische en Amerikaanse componisten was verboden, evenals de muziek die onder de noemer entartet (ontaard) viel, zoals atonale en anderszins al te moderne muziek. De uitvoering van Franse muziek werd later in de oorlog beperkt. Dat gebeurde toen de orkesten daarvoor een steeds grotere voorliefde aan de dag legden, wat ten koste ging van de Duitse meesters.

Nederlandse muziek verplicht
Het DVK op zijn beurt hechtte veel belang aan uitvoering van Nederlandse muziek, hoewel zelfs Goverts er niet in slaagde dit sluitend te definiëren. Van de orkesten werd geëist dat zij in ruil voor de subsidieverhoging twintig tot dertig procent van hun programma's aan Nederlandse muziek zouden wijden. De programma's moesten vooraf ter goedkeuring worden voorgelegd aan het departement. De meest gewilde componist was Johan Wagenaar, op afstand gevolgd door Henk Badings en Hendrik Andriessen.

Propaganda door cultuur
Concert ten behoeve van de nationaal-socialistische Winterhulp, 1943 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Concert ten behoeve van de nationaal-socialistische Winterhulp, 1943 (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
In de nieuwe politiek paste natuurlijk ook cultuurpropaganda. Van de musici werd verwacht dat zij hun medewerking verleenden aan culturele manifestaties. Het ging hierbij niet alleen om politieke doelen als Vreugde en Arbeid, de Winterhulp en Frontzorg, maar ook om uitvoeringen voor de Duitse Wehrmacht. Cultuuruitwisseling met Duitsland werd belangrijk geacht, maar als gevolg van de oorlog kwam dat niet goed van de grond. Wel reisde in april 1942 het hele Concertgebouworkest naar Wenen om het honderdjarig bestaan van de Wiener Philharmoniker op te luisteren. Henk Badings componeerde voor die gelegenheid de Feestelijke proloog en pianist Cor de Groot schitterde in de Variations symphoniques van César Franck.

Indelingen in nazigezindheid en kwaliteit
In het eerste oorlogsjaar circuleerden op het Rijkscommissariaat twee lijsten die historisch interessant zijn, maar verder van geenAankondiging concert Frontzorg, Algemeen Handelsblad, 14 november 1942 (bron: collectie Openneer)
Aankondiging concert Frontzorg, Algemeen Handelsblad, 14 november 1942 (bron: collectie Openneer)
betekenis zijn geweest. Door een onbekende auteur werden 'nach kritischem Masz-stabe' Nederlandse componisten en uitvoerende musici ('exportfahige niederlandische reproduzierende Künstler') in drie klassen ingedeeld. 

De andere lijst begon met de pianisten. 'Supra-Klasse Gieseking gibt es nicht', waarna vier pianisten uit de eerste klasse volgden: Willem Andriessen, George van Renesse, Cor de Groot en Theo van der Pas. Bij de violisten ('Klasse Kulenkampff gibt es nicht') kwam alleen de van oorsprong  Hongaarse Zoltán Székely voor de eerste klasse in aanmerking, maar de vraag was of hij een jood was. 'Vokalisten wie die ersten Bayreuther Sänger(innen) gibt es nicht; mehr Oratorium und Lied' stond boven de lijst van voca¬listen, waar alleen Dora Versteegh, Henk Noort en Jo Vincent ('Deutschfeindlich') voor de eerste klasse in aanmerking kwamen. Ook twee blazers scoorden hoog: de hoboïsten Jaap en Haakon Stotijn. Slechts één Nederlandse musicus was echte 'Supra-Klasse' en dat was Willem Mengelberg, die, gevolgd door Eduard van Beinum (klasse I), de lijst aanvoerde.

Omstreden positie Mengelberg in Nederland
De positie van Mengelberg als beroemdste dirigent van Nederland was voor de Duitsers onomstreden. In Nederland had zijn imago in de jaren dertig deuken opgelopen door zijn grote bewondering voor nazi-Duitsland. Zijn apolitieke stellingname werd door velen als krampachtig en uitgesproken dom ervaren. Een interview in een Duitse krant in mei 1940, waarin hij zich positief uitliet over de Duitse bezetting van Nederland, deed de rest. Van meest bewonderde Nederlander in het begin van de jaren dertig werd hij een met argwaan bekeken dirigent, die zijn geloofwaardigheid had verloren, niet alleen bij zijn orkest maar ook bij een deel van zijn publiek.

Massaal concertbezoek tijdens oorlogsjaren
Dat publiek bezocht in de bezettingsjaren steeds massaler de concertzalen en andere muziekgelegenheden. Een ontwikkeling die zich ook voordeed in de theaters en de bioscopen, waar de bezoekersaantallen vooral in de tweede helft van de oorlog spectaculair toenamen. De behoefte aan ontspanning was groter dan ooit.

Huisconcerten
Een typisch oorlogsfenomeen was ook de bloei van huisconcerten. Na het ontslag van de joodse musici werden deze vooral in Amsterdam en Den Haag gegeven. Vanaf 1943 verspreidden zij zich over het hele land. Vooral musici die zich niet bij de  Kultuurkamer wensten aan te melden en daardoor buiten spel stonden, kregen op deze manier de gelegenheid om op te treden bij particulieren. Door het organiseren van deze concerten hadden veel mensen het gevoel een kleine maar waardevolle daad van verzet te plegen.

Gelatenheid en verzet onder musici
De musici ondergingen over het algemeen de bezetting zoals de meeste Nederlanders dat deden: met een gevoel van gelatenheid. Onder de gegeven omstandigheden moest men het beste ervan zien te maken. Enkelen weigerden zich aan de eisen van de bezetter te onderwerpen. Zij stapten al in een vroeg stadium uit het openbare muziekleven en gingen soms in het verzet. Dit gold vooral voor Jan van Gilse, ook onder andere Bertus van Lier, Marius Flothuis en Henriëtte Bosmans namen persoonlijk stelling. Anderen bleven in het begin in het openbaar muzikaal actief, maar besloten zich in de tweede helft van de oorlog uit protest tegen de Kultuurkamer alsnog terug te trekken.

Zie ook Wegwijzer Nederland, Muziekleven, organisatie

Tekst: Pauline Micheels