logo
 
zoek
    print
 
NL  »  Landen  »  Overzicht Nederlands-IndiĆ«  »  Historie
 

Historie

Op 7 december 1941 overrompelde Japan Pearl Harbor, de Amerikaanse vlootbasis op Hawaï, sleutel tot de toegangspoort naar Zuidoost-Azië. De dag daarop verklaarde de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, jhr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, in opdracht van de regering in ballingschap in Londen de oorlog aan Japan. 

Nederlands-Indië was in oorlog, compleet met mobilisatie, schuilkelders, verduisteringen, luchtalarm en bombardementen. Na de beslissende Slag in de Javazee viel op 5 maart 1942 de hoofdstad Batavia en drie dagen later heel Java. Op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Na de capitulatie van het KNIL kwamen in de eerste helft van 1942 ongeveer 330.000 staatsburgers van geallieerde en andere westerse landen onder Japans gezag. Een meerderheid van hen raakte in Japanse internering of gevangenschap. Ook Ambonezen, Menadonezen en Timorezen die in dienst waren bij het KNIL of de Koninklijke Marine, die tijdens de bezetting loyaal bleven aan het Nederlandse gezag, werden geïnterneerd.

Gevangenkampen
Niet alleen militairen kwamen in kampen terecht. Naast de krijgsgevangenkampen werden burgerinterneringskampen ingesteld, waarin het grootste deel van de Europese en een kleiner deel van de Indo-Europese bevolking na verloop van tijd terechtkwam. Van de Indische Nederlanders werden de mannen geïnterneerd. Vrou­wen die konden aantonen dat ze een bepaald percentage Indone­sisch bloed hadden konden met hun kinderen buiten de kampen blijven wonen.

In totaal kwamen ongeveer 89.000 Australische, Britse en KNIL-militairen in krijgsgevangenschap. Op veel plaatsen ontstonden tij­delijke kampen, die stapsgewijs werden ontruimd voor de concentratie van krijgsgevangenen in een beperkt aantal veel grotere regionale verzamelkampen. Zo waren er op Java in september 1942 zes groepen van grote krijgsgevangenkampen: in de provincie West-Java in Batavia/Tandjoeng Priok, Bandoeng/ Tjimahi, Soekaboemi en Tjilatjap; in de provincie Oost-Java in Malang en Soerabaja. Werkkampen waren al inge­richt bij Semarang, waar Britse en Nederlandse krijgsgevangenen tewerkgesteld waren bij de uitbreiding van het vliegveld Kalibanteng en bij Grissee, waar Ambonese en Menadonese KNIL-militairen een nieuw militair vliegveld moesten aanleggen. Vanuit de regionale verzamelkampen zou de overgrote meerderheid van de krijgsgevangenen in Nederlands-Indië, later in 1942 en volgende jaren, verder worden vervoerd naar werkkampen elders in de archi­pel of daarbuiten.

Met de concentratie in verzamelkampen nam ook de bewe­gingsvrijheid van de krijgsgevangenen af. In het begin konden ze nog familie en vrienden buiten het kamp bezoeken, of inkopen doen. Zodra het echter onder Japanse bewaking kwam werd het omgeven door prikkeldraad en/of een andere omheining, en was het verlaten van het kamp strafbaar. Tot en met april 1942 werd het soms nog toegestaan dat familie pakjes en brieven afgaven bij de kamppoort. Corry Vonk bijvoorbeeld maakte hiervan gebruik om pakketjes aan de gevangen genomen Wim Kan te geven. Nadat dit niet meer was toegestaan, waagde ze het zelfs om kleinigheden en briefjes over de omheining te smokkelen. Maar na verloop van tijd raakten de krijgsgevangenen volledig geïsoleerd. Om te overleven waren ze afhankelijk van de zeer weinige meegenomen bezittingen en de collectieve voorzieningen binnen de kampen. Afhankelijk van de capaciteiten van de Nederlandse of geallieerde kampleiding ontstonden binnen de kampen finan­ciële voorzieningen, winkels en beperkte voedselvoorzieningen in de vorm van groentetuinen en kippenhouderijen.

Birmaspoorlijn
Vanaf september 1942 werden tiendui­zenden krijgsgevangenen vervoerd naar plekken in en buiten de archipel voor dwangarbeid. Eén van de bekendste pro­jecten is de aanleg van de Birma-spoorlijn. Onder onvoorstelbaar slechte omstandigheden hebben 62.000 geallieerde krijgsgevangenen en 200.000 romusha's, inheemse 'arbeidssoldaten', aan deze beruchte spoorlijn gewerkt. Mishandeling, ongevallen, uitputting, voedsel- en vitaminegebrek, tropenzweren en besmettelijke ziekten zoals malaria, tyfus, cholera en dysenterie eisten hun tol. Bijna één op de vijf krijgsgevangenen bezweek. Onder de romusha's, die nog slech­ter werden behandeld, was dat naar schatting vier op de vijf.

Isoleren van de Europese burgerbevolking
Om de Europese burgerbe­volking te isoleren van de rest van de samenleving begon snel na de capitulatie de internering van de mannen. Ze werden opge­sloten in gevangenissen, huizen van bewaring, gestichten en militaire kampementen. Voor de vrouwen en kinde­ren verliep de internering geleidelijker en in fasen, ze bleven eerst nog in hun eigen huizen wonen. Uit veiligheidsoverwe­gingen en om financiële redenen trokken ze echter vaak bij elkaar in, waardoor zich kongsi's gingen vormen. In het najaar van 1942 moesten de blanke vrouwen en kinderen in de steden verhuizen naar 'beschermde wijken' in Europese stadsdelen. Deze wijken vertoonden veel overeenkomsten met getto's.

Uitschakelen westerse invloed, verboden op muziek
Met deze interneringspolitiek hoopte Japan één van haar hoofddoelen te bereiken: door isolatie het radicaal uitbannen van de westerse invloed en aanwezigheid in de Indische samenleving. Wat Japan voor ogen stond was het streven naar een 'Groot-Oost-Aziatische Gemeenschappelijke Welvaartssfeer' en een door Japan geleide 'Nieuwe Orde'. 'Azië voor de Aziaten' was de leus. Het grote aantal westerlingen in Nederlands-Indië en hun anti-Japanse houding stond dit streven behoorlijk in de weg. Burgers werden dan ook onttrokken aan het openbare leven. Alleen de Europese mannen die onmisbaar waren in vitale secto­ren moesten blijven werken, de zogeheten 'Nipponwerkers'. Werkweigering, overtreding en sabotage kon voor de Nipponwer­kers zonder pardon executie betekenen. Zo kostte een radio-uit­zending van het Wilhelmus drie medewerkers van de Nederlands-Indische Radio Omroep (NIROM) letterlijk het hoofd, nog na de Japanse overwinning. Nipponwer­kers bleven met hun gezinnen korter of langer nog buiten het kamp wonen en werden later, althans in Batavia en Bandoeng, deels in gezinskampen ondergebracht. Ook andere groepen bleven 'buiten' wonen, zoals inwoners van bondgenoten van Japan en andere niet-vijandelijke landen, en veel Indo-Europese vrouwen en kinderen.

Vanaf het begin van de bezetting golden restricties. Zo was er een verbod op samenkomsten. Amerikaan­se, Engelse en Nederlandse muziek en die van joodse componisten verboden. Ook de Nederlandse taal mocht niet langer worden ge­sproken en geschreven. De officiële voertaal was het Maleis gewor­den.

Leven in kampen wordt grimmiger
Vanaf het voorjaar van 1943 werd gaandeweg de bewegings­vrijheid door de Japanse bezetters verder ingedamd. De kampjongens kregen de opdracht de vrouwenwijken te omheinen met kawat [prikkeldraad] en gedek [rieten omheining]. In het begin mochten de vrouwen soms nog het kamp uit, maar halverwege 1943 werden de poorten definitief gesloten. De interneringskampen kregen het karakter van concentratiekampen. De eerste jaren stonden de kampen onder Japanse civiele bestuursambtenaren, later (per 1 april 1944) onder het mili­taire gezag van het leger.

Het grote centrale Tjidengkamp in Batavia kwam onder de eerste luitenant Sonei, de om zijn terreur beruchte 'beul' of 'duivel' van Tjideng. Zijn aantreden betekende een grote en pijn­lijke overgang na zijn milde voorganger commandant Kondo. Het regime onder Sonei werd drastisch strenger, het leven werd grimmiger, de behuizing en voorzieningen krapper en het eten kariger. Deze ontwikkeling gold overigens voor alle kampen en zou zich blijven voortzetten. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat, na aanvankelijke glorie, Japan het al spoedig steeds moeilijker kreeg. In april 1942, een maand na de capitulatie, waren de Amerikanen begonnen met vergeldingsbombardementen op Japan. Als ant­woord daarop voerde Japan een steeds repressiever beleid met meer en steeds strengere maatregelen en verboden. Zo werden onder meer onderwijs, muziek en dagboeken verboden, en piano's en andere muziekinstrumenten werden weggehaald. Tienerjongens werden soms vanaf de leeftijd van tien jaar weggehaald bij hun moeder en overgebracht naar jongens- en mannenkampen.

De straffen die de Japanners gaven, ook voor kleine vergrijpen, waren collectief en logen er niet om: minder of geen eten, huis­zoeking, extra en langdurig appèl, slaag en meer. De geïnterneer­den moesten binnen de kampen voortdurend verkassen of werden op transport naar andere kampen gezet, bang als de vijand was voor groepsvorming en samenkomsten, of erger, voor samenzweringen. Panisch waren de Japanners voor clandestiene contacten met de buitenwereld en al helemaal voor berichtverspreiding en spionage die de geallieerden in de kaart zouden kunnen spelen. Het bezit van een radio zou iemand dan ook letterlijk de kop kosten.

Naarmate de oorlog voortduurde verslechterden de omstandighe­den in de krijgsgevangen- en burgerinterneringskampen nog verder. In de overvolle kampen waren de sanitaire voorzieningen en de voedselsituatie volstrekt onvoldoende. Er was een schrijnend gebrek aan medicijnen, brandstof en kleding. Daarbij kwamen de zorgen om familieleden en vrienden met wie geen contact meer mogelijk was, de verveling en uitzichtloosheid, het zware werk en de onmenselijke straffen van de Japanse leiding.

Na de bevrijding
Direct na de bevrijding maakten de Nederlanders in Indië kennis met een nieuwe vijand. Japanse indoctrinatie was van katalyseren­de invloed geweest op de al lang sluimerende republikeinse gevoelens van de Indonesiërs. Twee dagen na de Japanse capitula­tie, op 17 augustus, riep Soekarno eenzijdig de onafhankelijke repu­bliek Indonesië uit. Het einde van de Nederlandse kolonie, voor­bode van het dekolonisatieproces, ging gepaard met de chaotische Bersiap-periode van de Indonesische vrijheidsstrijders, ook wel extremisten, peloppers (voorlopers) of pemoeda's (jongeren) genoemd. De tijd van 'ons Insulinde' was voorgoed voorbij. In die periode van gezagsvacuüm en gevaarlijke anti-westerse onlusten was binnen een maand na de Japanse capitulatie de situatie voor westerlingen zó gevaarlijk geworden dat ze genoodzaakt waren weer onder bescherming in de kampen te blijven. Ze werden nu bewaakt door de voormalige vijand en Brits-Indische soldaten. In die situatie konden nog maan­den lang hele gezinnen wachten op vertrek per boot naar Neder­land.

Tekst: Frans Schreuder, Nadet Somers