logo
 
zoek
    print
 
 
NL  »  Landen  »  Overzicht Nederlands-Indië  »  Piano-vioolduo Lili Kraus en Szymon Goldberg  »  1940: eerste jaren in Nederlands-Indië
 

1940: eerste jaren in Nederlands-Indië

Twee weken voor de Duitse inval in Nederland zette concertpianiste Lili Kraus met haar gezin voet aan wal op Tandjoeng Priok, de haven van Batavia (het huidige Jakarta). Het was 24 april 1940. Ruim een maand daarvoor waren ze met de 'boottrein' vanuit Amsterdam naar Genua vertrokken, de gebruikelijke afvaart vanuit Nederland was door Duitse mijnen en onderzeeërs te onveilig geworden. Engeland was toen al in oorlog met Duitsland.


Vanuit Genua vertrok Lili Kraus, haar man Otto Mandl en hun twee kinderen met het schip de Johan van Oldenbarnevelt naar Nederlands-Indië. DSchip Johan van Oldenbarnevelt (bron: 'Per mailboot naar de Oost', De Boer Maritiem, 1979)
Schip Johan van Oldenbarnevelt (bron: 'Per mailboot naar de Oost', De Boer Maritiem, 1979)
e reis zou vanaf Genua ongeveer drie weken duren. Intussen reisen de violist Szymon Goldberg en zijn vrouw Maria vanuit Palestina naar de Indische archipel, waar ze Lili Kraus zouden treffen.

Politieke spanningen in Europa voorafgaand aan vertrek
Toen in Europa de politieke spanningen hoog opliepen en Hitler wetten tegen de joden uitvaardigde, brak voor het gezin Mandl-Kraus, dat tot 1938 in Italië woonde, een moeilijke periode aan. Lili Kraus en haar man waren beiden van joodse afkomst. Lili was in 1903 in Hongarije geboren, haar man was Oostenrijker. Door de Anschluss werd hen een Duits paspoort opgedrongen. Hun weigering maakte dat ze in 1938 Italië op staande voet moesten verlaten met achterlating van al hun bezittingen. Mandl, een welgestelde mijningenieur en doctor in de filosofie, raakte hierdoor zijn hele vermogen kwijt. Hij werd daarop impresario van zijn vrouw, zij verdiende het gezinsinkomen.

Vlucht Szymon Goldberg uit Duitsland
Al in 1934, na Hitler’s machtsovername in 1933, was Szymon Goldberg Duitsland ontvlucht. Tot de vele verordeningen tegen joden behoorde dat ze voortaan waren uitgesloten van het openbare muziekleven in Duitsland. Joodse musici moesten de orkesten verlaten en elk optreden werd hen verboden. Goldberg, de jonge briljante concertmeester van de Berliner Symphoniker en door de dirigent Wilhelm Furtwängler naar Berlijn gehaald, verloor zijn baan.

Na zijn vertrek uit het orkest en uit Duitsland legde Goldberg zich toe op een solo- en kamermuziekcarrière. Zo kon hij in 1934 met Lili Kraus een vast duo vormen en overal concerten geven. Tot hun grote successen behoorde hun eerste concertreis door het Verre Oosten in 1936, waarbij ze ook Japan en Nederlands-Indië aandeden. Japan was nog maar kort na de eeuwwisseling voor de westerse cultuur ontsloten en het duo behoorde tot de eerste gastmusici uit Europa. Hun bezoek betekende voor veel Japanners een onvergetelijke ervaring, een regelrechte openbaring.

Pioniers en vernieuwers
Het Kraus-Goldberg duo had een levendige speeltrant, grotendeels bepaald door de spanning tussen twee temperamenten: hij gereserveerd en bezonnen, zij voortvarend en impulsief. Het duo was vernieuwend. Een pianopartner van hetzelfde solistische formaat was ongebruikelijk, in hun tijd werden de vaak minstens even belangrijke pianopartijen nog als louter begeleiding voor de viool beschouwd. 

Hun klassieke stijl betekende een historische bijstelling en vernieuwing. Pioniers waren het, doordat ze in de jaren dertig in de concertzaal de praktisch niet gespeelde vioolsonates van Mozart introduceerden. En hoe: de langzame delen klonken innig doorleefd, de snelle delen sprankelend. Ook Mozarts pianomuziek was in die dagen nagenoeg onbekend, evenals die van de andere Weense klassieken Haydn en Schubert.


Pianotrio in C, deel 2 en 3 (Haydn); Lili Kraus (piano), Szymon Goldberg (viool), Anthony Pini (cello); Parlophone/Odeon SW8094/8039/8032, 1939

Enige internationale solisten in Nederlands-Indië in 1940
In de Indische kolonie bestond een bloeiend westers muziekleven dat, zoals zoveel andere aspecten, sterk geënt was op dat in het moederland. Tournees van vermaarde kunstenaars, georganiseerd door de Bond van Nederlandsch-Indische Kunstkringen, die ook het duo engageerde, stonden in hoog aanzien. Stagnatie in het Indische concertleven ontstond in 1940, toen Nederlands-Indië door de oorlogsomstandigheden van het westen afgesloten raakte. Het land raakte geïsoleerd. Lili Kraus en Szymon Goldberg waren er op den duur de enige nog overgebleven internationale solisten van niveau. Hierdoor, en door hun grote populariteit, groeide de vraag naar optredens en werd hun vertrek naar Australië telkens uitgesteld. De enige die ook nog een tournee kon maken, in 1941, was de pianist Ignaz Friedman die in het nog bereikbare Australië woonde.


Twee Mazurka's, Chopin; Ignaz Friedman (piano); Colombia Records, LX102, 1930

De familie Mandl-Kraus op Bali, 1941.
De familie Mandl-Kraus op Bali, 1941.

 


Inburgeren in 1940

Lili Kraus en Szymon Goldberg traden vaak op en musiceerden in huiselijke kring. Daarnaast gaven ze les. Het duo raakte al snel ingeburgerd in de comfortabele koloniale maatschappij. De verstikkende hitte in het laaggelegen Batavia ontvluchtten ze voor het koelere, hoger gelegen Bandoeng. Ook woonde de familie Mandl-Kraus korte tijd op Bali. Kennissen en vrienden kregen ze tot in de hoogste kringen. Zo rekenden ze gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en zijn echtgenote tot hun vrienden. Het was duidelijk dat deze kunstenaarsfamilies een bijzondere positie innamen. Deze wereldburgers met hun artiestenallures conformeerden zich nu eenmaal niet zomaar aan burgerlijke conventies en maatschappelijke verhoudingen. Tegelijkertijd bleven ze buitenstaanders, toeschouwers. Lili Kraus droeg bijvoorbeeld broeken. Dat was iets nieuws en gold als eigenzinnig en shockerend. Lien Lanzing-Fokker schreef in Batavia, in haar dagboek op 13 april 1942: "Vanmorgen met mevrouw van Starkenborgh naar Lili Kraus geweest, die voor haar spelen zou. Lili was vermomd als squaw [Indiaanse vrouw] met lange rok en twee half losse vlechten over haar schouders. We moesten dadelijk om 9 uur ’s morgens crème de menthe drinken. Merkwaardig stel menschen, die de hele wereld bereisd hebben en nu hier gestrand zijn."

Reserves ten aanzien van koloniale systeem
Een aantal mensen in de Indische kolonie vond de beide artiestenfamilies maar excentrieke bohémiens en huldigden het Hollandse ‘doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg’-standpunt. Bovendien handelde Lili tegen alle gebruiken in door de bedienden en andere ‘inlanders’ een hand te geven, en ze betreurde het dat ze, afgezien van een zeer kleine elite, geen inheemsen onder haar publiek zag. Ze had haar reserves ten aanzien van het koloniale systeem met de blanke staatkundige dominantie. Ook echtgenoot Otto signaleerde tot zijn ongenoegen dat de totoks, de volbloed Nederlanders, de inheemse bevolking maar eenzijdig the dirty linen lieten wassen.

Open houding ten aanzien van Japanners
Het feit dat Lili Kraus en haar man niet belast waren met enige superioteitsgevoelens bepaalde ook hun houding tegenover het Japanse volk. Hun grote vijand was nazi-Duitsland, niet Japan. Tijdens hun eerste wereldtournee in 1936 werden ze in Japan op handen gedragen, hun ervaringen stonden dan ook lijnrecht tegenover het in Nederlands-Indië in de jaren dertig groeiende vijandbeeld. Men sprak van het gele gevaar en een volk dat slechts in staat zou zijn tot na-apen en kopiëren van westerse verworvenheden. De Japanse regering had in 1938 een opvallend soepele politiek uitgevaardigd voor joodse vluchtelingen en streefde naar goede contacten met joden. De realiteit was echter ook dat het Japanse superioriteitsgevoel en de imperialistische expansiedrift in het verre oosten bedreigende vormen ging aannemen. Al in 1931 was Japan met de oorlog tegen China begonnen. Bovendien sloot Japan in 1940 het Driemogendhedenpact met Duitsland en Italië.

Lili Kraus en Szymon Goldberg echter hadden hun eigen belangen: eenvoudigweg hun beroep uitoefenen en ervan leven. Daarbij moesten ze, zoals Lili Kraus het later formuleerde, een weg zien te vinden tussen de diverse rassen en nationaliteiten. 

Schubert veroorzaakt politie-inval
Bij aankomst in Batavia waren door de politieke gebeurtenissen in Europa ook in Indië de spanningen hoog opgelopen. Dieptepunt was natuurlijk de Duitse inval in Holland: wanhoop en verslagenheid alom, het moederland onder de voet gelopen en afgesloten van de kolonie. Hoe allergisch men was voor alles wat maar naar ‘mofs’ zweemde, maar ook dat het culturele peil niet bij iedereen even hoog was, illustreert een voorval, overgeleverd door een zoon van Mr. Van Hasselt, voorzitter van de Bataviase Kunstkring en de Bond van Nederlands Indische Kunstkringen. Ten huize van de familie Van Hasselt gaven Lili Kraus en Doda Conrad een Schubert- liederenavond. Plotseling viel de politie binnen: omwonenden dachten een pro-Duitse bijeenkomst te hebben gesignaleerd. Om het tegendeel te bewijzen hief het gezelschap spontaan het Wilhelmus aan. Van Duitse teksten verdroeg men hoogstens nog de vertaling.


Der Lindenbaum, Winterreise (Schubert); Lili Kraus (piano), Doda Conrad (bas); Vox Polydor PL6090, 1949

Laatste vooroorlogse concerten in Nederlands-Indië: het Requiem van Mozart
De algehele mineurstemming die in de Indische samenleving hing, was ook in de concertzaal voelbaar. Het Bataviaasch Nieuwsblad versloeg een aantal concerten. Het eerste was op 21 mei 1940, elf dagen na de Duitse inval in Nederland en acht maanden na de bezetting van Polen: "De Poolsche violist Szymon Goldberg op wiens weerstandsvermogen de lugubere gebeurtenissen van dezen tijd reeds langer een beroep doen dan op het onze, bezit als musicus wel in bijzondere mate die kwaliteiten, die het herstel van het geestelijk evenwicht bij zijn toehoorders kunnen bevorderen. Helaas was de belangstelling voor zijn recital gisteren zeer gering en helaas lag ook de droevige verklaring hiervan voor de hand. Aanvankelijk besefte men wellicht niet, hoe moeilijk het Goldberg moest vallen de neerslachtige stemming, die bijna tastbaar in de zaal hing, te breken."

Een volgend concert werd verslagen door het Bataviaasch Nieuwsblad op 25 juni, het betrof een liederenavond met Doda Conrad en Lili Kraus aan de piano: "Priez pour paix, le vrai trésor de joy. Dit eenvoudige lied van Poulenc op een tekst van Charles d’Orleans ging aan het eigenlijke programma vooraf. Men luisterde staande en onthield zich van applaus, zich daarbij richtend naar het voorbeeld van Mevrouw Van Starkenborgh."

Een klein jaar later, op 15 mei 1941, bericht het nieuwsblad over een van de grootste concerten uit het vooroorlogse muziekleven in Nederlands-Indië: "Ter herdenking van de gevallenen gedurende de Mei-dagen van 1940 gaf de Bataviasche Oratorium Vereeniging gisteren in de Sociëteit Concordia een uitvoering van het Requiem van Mozart waarvan het batig saldo wordt afgedragen aan het Prinses Irene Fonds. [...] Niemand zal gisteren hebben verwacht, dat de uitvoering van het Requiem zonder gebreken zou zijn. Men beschouwe echter de keuze van Mozarts Requiem ter herdenking van den 14den Mei als een uiting van den diepgekoesterden wensch om aan de nagedachtenis van hen, die hun leven gaven, het schoonste en dierbaarste te wijden de menschheid bezit."


Lacrimosa uit het Requiem (Mozart)


Tekst, illustraties, historische muziekopnamen: Frans Schreuder