logo
 
zoek
    print
 
 

Muziekleven Suriname tijdens de oorlogjaren

Suriname was niet bezet en kwam relatief rustig de oorlog door. De oorlogsomstandigheden, waaronder de aanwezigheid van Amerikaanse soldaten, weerspiegelden zich in Surinaamse liedjes van die tijd. Deze soldaten brachten ook een overvloed aan Amerikaanse amusementsmuziek mee. Nederlandse strijd- en volksliederen moesten de werving steunen voor vrijwilligers voor de Nederlandse marine en de bevrijdingsstrijd in Nederlands-Indië. 


De Surinaamse bevolking, in 1940 rond de 175.000 (exclusief Marrons en Indianen), bestond uit aparte etnische zuilen, elk met hun eigen muziek en liederen. Ongeveer 40 proceAmerikaanse officieren op een markt in Paramaribo. (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Amerikaanse officieren op een markt in Paramaribo. (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
nt van de bevolking bestond uit Creolen, ongeveer 30 procent was Hindoestaans en 8 procent Javaans. Verder waren er nog kleinere percentages afstammelingen van Nederlandse, Chinese, Libanese en Portugese immigranten.

Creoolse liederen
In de oorlog waren veel liederen te horen van de Creoolse (stedelijke) bevolkingsgroep. Dat waren zowel traditionele liederen als liederen die naar aanleiding van de oorlog waren ontstaan. De traditionele liederen waren uiteraard van vóór de oorlog, en veelal in de lingua franca, het Sranan, een taal die in betere kringen en op de scholen bepaald geen hoog aanzien had. Het laten horen van dit soort folklore werd op scholen dan ook niet aangemoedigd, het zingen van geïmporteerde Nederlandse liederen daarentegen juist wel. Maar de overlevering, vaak van grootouders, betekende het behoud van deze liederen.

Alleen de stedelijke Creoolse bevolkingsgroep had de behoefte om ook liederen te maken over actuele gebeurtenissen. Deze zijn niet bij andere etnische groepen te vinden. Veelal zijn deze liederen anoniem. Een enkele keer zijn ze op een bekende geïmporteerde melodie gezongen.

Uit die tijd bekende liederen in het Sranan zijn onder andere:

  • Blackout, mi no frede ("Ik ben niet bang van de inbrekersbende die door de algemene verduistering vrij spel heeft")
  • Goslar drai ("O, waarom heeft men het Duitse koopvaardijschip Goslar tot zinken gebracht?")
  • Hitler wer’ opanka (spotlied op de racist Hitler)
  • Coca Cola lande (lied dat het begin van de Coca Cola-rage markeerde)
  • Lena pikin ("Leentje moet en zal een Amerikaan hebben")
  • Syen no de ("Ik werk in de bauxiet, verdien dus goed, maar mijn vrouw geeft mij, schande, minderwaardig eten.")

Ook in het Nederlands ontstonden een paar liederen:

  • Paramaribo, Paramaribo (over de verloedering van de hoofdstad)
  • Op Jodensavanna (over een eenzame bewaker in het interneringskamp)

Klassieke muziek
Het publiek voor klassieke muziek bestond vooral uit de Creoolse hogere middenstand. Tijdens de oorlog waren er in Suriname drie serieuze componisten van eigen bodem: Eddy Snijders (1923-1990), Chris Alvares (1901-1994) en zijn tijdgenoot en collega-organist Jan Amo. Op enkele eenvoudige liedjes voor parochiëel gebruik en arrangementen na, is er uit die jaren geen werk van hen bekend. In Nederland bevonden zich in dezelfde periode vier Surinaamse componisten: Johan Victor Dahlberg (1915 -1946), Majoie Hajary (geb. 1921), Atma Kenswil (1892-1985) en Lou Lichtveld (1903-1996). Uit de oorlogsjaren is geen werk van hen bekend.

Het echtpaar Feinland
Ean paar jaar voor de oorlgo 1938) had het echtpaar Feinland zich in Suriname gevestigd. Alexander Feinland, virtuoos violist en pedagoog, was een Oostenrijkse jood, geboren in Wenen en getogen in Berlijn. Voor de oorlgo was hij naar Nederland verhuisd en daar getrouwd met de celliste Bos Janszen. Dit duo gaf in Suriname muzieklessen en geregeld recitals. Daarbij vormde het soms een trio met de amateurpianist Lou van Meursinge, een uit Nederland uitgezonden hoofdambtenaar. Ook voor andere kunstzinnige uitingen vormde het huis van de Feinland’s, Pro Arte, een centrum. Zo was er een marionettenspel dat balletten uitvoerde, en werd er jaarlijks een tentoonstelling gehouden van door kinderen vervaardigde kunstnijverheid. Korte tijd gaven de Feinlands een literair tijdschrift uit.

Op 10 mei 1940 werd Feinland vanwege zijn nationaliteit geïnterneerd, in hetzelfde kamp als de lokale Duitse nazi’s. Na een aantal maanden werd de internering op aandrang van de lokale joodse gemeenschap omgezet in een soort huisarrest. Na de oorlog vertrok het echtpaar uit Suriname naar Panama, waar Feinland aan de universiteit muziekdocent werd. In de vijftiger jaren is Feinland nog wel eens voor een recital uitgenodigd in Den Haag. In 1954 trad hij op uitnodiging op in Paramaribo als solist bij het inmiddels opgerichte Surinaams Philharmonisch Orkest (de voorloper van dit orkest was de Algemeene Orkest-Vereeniging, maar deze was nauwelijks actief).

Amusementsmuziek
In de oorlogsjaren kende Suriname vier grote populaire amusementsorkesten: Budell’s, Gaddum’s, de Rhythm Makers, vooral voor feesten, en de Rhythm Masters, een orkest vooral voor de (goed bezochte) muzikale revues. Een deel van de musici van de dansorkesten, vooral van de Rhythm Makers, waren niet anders dan leden van de Militaire Kapel die er op die manier een zakcent bij mochten schnabbelen. De dansorkesten hadden elk hun specialiteiten: Budell was bekend om zijn Weense walsen, Gaddum kon, als na een tijd de geest over het orkest vaardig werd, een aardig aantal inheemse nummers produceren, en de Rhythm Makers speelden vooral 'swing' in arrangementen die leken op die van Glenn Miller en Benny Goodman. Regelmatig waren er in Paramaribo muzikale revues, gebracht door twee gezelschappen: dat van de familie Lobo, met als dansster de Cubaanse Lia Ray, en door Madame Olindi & van der Leyde.

Regelmatig werden er, vaak op klaarlichte dag, grote openbare dansfeesten gehouden ten bate van het Nederlandse Rode Kruis en het Spitfirefonds, onder andere in de grote danshallen Halikibi en La Gaieté. Het uitbundige oranjegevoel uitte zich in deze inzamelingsacties voor de Nederlandse oorlogsinspanning, het lukte de kleine Surinaamse bevolking zelfs om Nederland een Spitfire te schenken.

Swing en jive in de straten van Paramaribo
Veel van de populaire muziek van die tijd kwam van buiten Suriname. Vrijwel iedere middag waren vooroorlogse Nederlandse kinderliedjes, smartlappen en cabaretliederen te horen, uitgezonden door het enige plaatselijke radiostation, AVROS. Rond Koninginnedag, eind augustus, zond dit station vooral oud-vaderlandse (Nederlandse) liederen uit, vaak door koren uitgevoerd. Via de BBC Wereldzender was dagelijks Radio Oranje, met zijn aangrijpende herkenningsmelodie, te ontvangen. Geregeld waaiden ook Calypso’s over uit de Engelssprekende landen in het Caribisch gebied, die onmiddellijk zeer populair werden.

Maar het waren vooral de in Suriname gelegerde Amerikanen die met hun populaire muziek grote invloed op het amusement hadden. In de restaurants en bars waar ze kwamen klonk dagelijks en luid Amerkikaanse muziek, elke middag viel volop te genieten van hun radiostation (AFN). De plaatselijke AVROS wilde niet achterblijven en gaf zo nu en dan ook een uurtje populaire Amerikaanse muziek. Bij een gramofoonplatenzaak in het centrum van de stad verzamelden zich iedere middag op straat jongeren om een selectie van het aanbod aan Amerikaanse platen te horen. Het viel daarbij op dat de selectie van de platenhandel een voorkeur verried voor zwarte artiesten, zoals Louis Armstrong, Ella Fitzgerald, Paul Robeson, Lena Horne, Duke Ellington en The Inkspots.

Vooral de Amerikaanse militaire zender bracht dagelijks volop Bing Crosby, de Andrews Sisters, Frank Sinatra, Dinah Shore, Danny Kaye, Tommy Dorsey, Glenn Miller en nog veel meer van wat toen in Amerika populair was. De teksten van de Amerikaanse songs werden dan ook naarstig door bakvissen verzameld en jongeren oefenden druk het dansen van 'swing' en 'jive'.

Tekst: John Leefmans