logo
 
zoek
    print
 
 

Hendrik Andriessen (1892-1981), onkreukbare standvastigheid

Componist en organist Hendrik Andriessen was een gelovig en rechtvaardig mens. Al in de jaren dertig stond hij openlijk achter zijn eigen humane waarden en sprak hij zijn afkeer uit over het opkomend fascisme. Zelfs in de oorlog liet hij zich niet verleiden door de bezetter en bleef hij een standvastig en onkreukbaar musicus. Aan de vrijheid van zijn artistiek geweten viel niet te tornen.

Hendrik Andriessen (Bron: Nederlands Muziek Instituut)
Hendrik Andriessen (Bron: Nederlands Muziek Instituut)
Het leven van Andriessen stond al vroeg in het teken van muziek. Als vijftienjarige jongen volgde hij zijn vader op als organist van de Sint-Josefkerk in Haarlem. Vanaf 1914 studeerde hij orgel bij J.B. de Pauw en compositie bij Bernard Zweers aan het Amsterdams Conservatorium, waar hij van 1927 tot 1948 zelf compositieleraar was. Tussen 1930 en 1949 vervulde hij belangrijke functies in het Utrechtse muziekleven, zoals leraar aan de R.K. Kerkmuziekschool, dirigentorganist van de  kathedraal en directeur van het conservatorium. Hij heeft vele belangrijke musici opgeleid. Als componist stond hij eerst onder invloed van Diepenbrock. Later koos hij voor de Frans georiënteerde traditie van Fauré, Franck en Roussel. Vooral op de Nederlandse kerkmuziek heeft Andriessen een grote invloed gehad. Na de oorlog schreef hij vele muziekessays, de meeste gebaseerd op zijn lezingen tijdens zijn interneringsperiode in de bezettingsjaren.

Politiek engagement
Andriessen was sterk politiek geëngageerd, rechtvaardigheid en humaniteit stonden bij hem centraal. Dit blijkt onder meer uit zijn lidmaatschap van het in Parijs gevestigde Wereldcomité van Kunstenaars en Intellectuelen voor de slachtoffers van het Hitler-fascisme. “De Nederlandse afdeling van het comité telde zo’n tweehonderd leden. Het zogeheten Bruinboek dat het comité in 1933 publiceerde, bevatte artikelen die de politiek-maatschappelijke ontwikkelingen in Duitsland tussen januari en juni 1933 zwaar bekritiseerden.” [1] Andriessen ondertekende het Bruinboek, wat hem door de Duitsers later zwaar werd aangerekend.

Internering tijdens bezettingsjaren
Andriessen weigerde zich aan te melden bij de Kultuurkamer, hoewel het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten veel moeite deed een belangrijke figuur als Andriessen hiervoor te winnen. “Onder kerkmusici bestaat nog veel te veel wanbegrip omtrent de Nederlandse Kultuurkamer”, meende een functionaris van het (bron: NIOD)
(bron: NIOD)
departement. Andriessen hield echter pertinent vast aan zijn weigering. Uiteindelijk werd het in januari 1944 verboden zijn muziek uit te voeren, uit te geven en te herdrukken.

“Toch bleef Andriessen, voor de buitenwereld bijna onverstoorbaar, in de oorlog op zijn muzikale werkzaamheden in Amsterdam en Utrecht gericht. Met uitzondering van de tweede helft van 1942. Rijkscommissaris Seyss-Inquart liet op 4 mei en 13 juli 1942 honderden Nederlandse mannen gijzelen, van wie de namen via de NSB waren verzameld. Ze dienden als gijzelaars, die bij sabotagedaden van de bevolking zouden worden gefusilleerd. In de tweede groep zaten de broers Hendrik en Willem Andriessen. Deze groep werd in het Grootseminarie van het Noord-Brabantse Haaren geïnterneerd. Op 6 november 1942 ging een gedeelte, met de gebroeders Andriessen, op transport naar het Kleinseminarie Beekvliet in Sint Michielsgestel.” [2] In beide gijzelaarskampen maakte Andriessen muziek. Hij hield lezingen, repeteerde de misgezangen, begeleidde op een harmonium de katholieke diensten en leidde een koor en orkest van geïnterneerden. Op 18 december 1942 kwam hij vrij.

Componeren in oorlogstijd
Hendrik Andriessen (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Hendrik Andriessen (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Andriessen componeerde in de bezettingsjaren niet veel. Naast enkele kleine kamermuziekwerken voor eigen gebruik in huize Andriessen schreef hij koorwerken voor zijn kathedraalkoor in Utrecht. Ondanks dat zijn werken officieel op een lijst van verboden composities stonden, werden zijn werken nog regelmatig uitgevoerd. In het seizoen 1941-1942 behoorde Andriessen met Johan Wagenaar, Henk Badings, Alphons Diepenbrock en Rudolf Mengelberg tot de vijf meest uitgevoerde componisten.

Met componeren tijdens zijn gijzeling in Haaren wilde het eerst niet vlotten, volgens Andriessen zelf vooral aan vermoeidheid toe te schrijven. Door de omstandigheden speelde een gebrek aan concentratie en inspiratie hem parten. “Ik heb gisterenavond een half uurtje zitten improviseren; maar ik ben dan niet alléén en voel mij zéér gegeneerd. […] Dat piano-speel-tijdje is voor Wim [broer Willem] en mij bestemd, maar wij kunnen de zaal niet sluiten, en dus zijn er altijd weer loerende, - en dat is nog iets anders dan luisterende - mensen.” [2]

Zijn belangrijkste compositie uit de oorlogstijd is het Te Deum Laudamus voor gemengd koor en orgel uit 1943, dat in 1946 werd georkestreerd. In 1942 schreef hij een nieuw Credo bij zijn Missa Christus Rex voor dubbelkoor en orgel (1938). Op symfonisch gebied kwam hij tot slechts een enkel werk, namelijk het Capriccio uit 1941. Ook schreef Andriessen op 8 augustus 1942 voor de trouwdag van Tine en hem Maria, schone Vrouwe, een muzikaal kleinood. “Niet meer dan dertien maten in een overzichtelijke a-b-a-vorm, maar van een trefzekere gevoeligheid, die de echte melodicus kenmerkt. Dit lied is in zijn schuchtere puurheid een roerend getuigenis van zijn vroom kunstenaarschap: `Toont Ghi dan onze weghen, wi dwaelen seker niet.’” [2] Na de oorlog, in 1946, zette Andriessen nog een aantal verzets- en bevrijdingsliederen uit het Nieuw Geuzenliedboek op muziek.

Na de oorlog
“Na de bevrijding bleef Andriessen een vooraanstaand componist, wiens werk ook vaak werd uitgevoerd en die tot kort voor zijn dood veel nieuwe composities produceerde. Hij was van 1949 tot aan zijn pensioen in 1958 directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 1952 viel hem de eer te beurt benoemd te worden tot bijzonder hoogleraar muziekwetenschap aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Tot zijn afscheid in 1963 gaf hij er colleges in een zeer gewaardeerde stijl voor een gevarieerd studentenpubliek.” [3]

Tekst: Geert van den Dungen


Muziek
Links
Documenten
Literatuur
  • Muziek in de schaduw van het Derde Rijk/De Nederlandse symfonieorkesten 1933-1945, Pauline Micheels; Walburg Pers, Zutphen, 1993 [1]
  • Nederlandse muziek in de 20-ste eeuw/Voorspel tot een nieuwe dag, Leo Samama; Amsterdam University Press/Salomé, 2006
  • Duizend kleuren van muziek, leven en werk van Hendrik Andriessen, onder redactie van Anton de Jager, Paul op de Coul, Leo Samama; Walburg Pers, 1992 [2]