logo
 
zoek
    print
 
 

Jan van Gilse (1881-1944), strijdvaardig en initiatiefrijk idealist

Jan van Gilse was als componist een gedreven vakman. Altijd streefde hij vanuit idealistische motieven naar het beste en hoogst haalbare in de muziek. Als dirigent en organisator zette hij zich strijdvaardig in voor de belangen van de Nederlandse muziek. De Duitse bezetters zouden een man als Van Gilse heel goed hebben kunnen gebruiken, ware het niet dat hij fel anti-fascistisch was.

Jan van Gilse (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Jan van Gilse (bron: Nederlands Muziek Instituut)

Als componist was Van Gilse geen pionier. Aanvankelijk stond hij, door zijn opleiding in Duitsland, onder invloed van de Duits-Oostenrijkse traditie. Door het dirigeren van het Franse impressionistische orkestrepertoire (Debussy, Ravel, Roussel) vonden een aantal karakteristieke stijlkenmerken hun weg in zijn eigen muziek. Geleidelijk heeft hij een eigen stijl kunnen ontwikkelen.

Voor de oorlog
Van Gilse kreeg zijn muzikale vooropleiding in Rotterdam en Den Haag en vervolgde zijn studie in Keulen, waar hij compositie en directie studeerde bij Franz Wüllner. In 1902 vertrok hij naar Berlijn om zijn compositiestudie af te ronden bij Engelbert Humperdinck.

Als organisator is Van Gilse van uitzonderlijk belang geweest voor het Nederlandse muziekleven. In 1911 was hij mede-oprichter van het Genootschap van Nederlandse Componisten, Geneco. Twee jaar later richtte hij het Bureau voor Muziek-auteursrecht (het huidige BumaStemra) op. Van beide organisaties was hij lang voorzitter. In 1935 initieerde hij de Stichting Nederlandse Muziekbelangen.

In de jaren 1917-1921 was hij dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (USO), waar hij door zijn baanbrekend werk zeer geliefd was. Toen componist Willem Pijper echter vanaf 1919 als muziekrecensent van het Utrechts Dagblad regelmatig negatief over Van Gilse bleef schrijven, ontstond de geruchtmakende controverse ‘Pijper contra Van Gilse’. Van Gilse nam daarop ontslag als dirigent. Tussen 1922 en 1933 was hij naar eigen zeggen ‘in ballingschap’ in Zwitserland en Berlijn. Door het opkomend fascisme voelde hij zich niet meer thuis in Duitsland, hij was dan ook blij toen hij tot directeur van het Utrechts Conservatorium werd benoemd (1933). Na (Bron: archief Jan van Gilse, Nederlands Muziek Instituut, z.d.)
(Bron: archief Jan van Gilse, Nederlands Muziek Instituut, z.d.)
zijn ontslag in 1937 hield hij zich vooral bezig met componeren, gastdirigentschappen bij verschillende orkesten en Buma-zaken.

Bezettingsjaren
In de bezettingstijd raakte Van Gilse steeds meer in een isolement. Hij bleef het Duitse naziregime consequent afwijzen, weigerde dus ook lid te worden van de Kultuurkamer en kwam steeds dieper in het kunstenaarsverzet terecht. Componeren kon hij nauwelijks nog. Om uit handen van de bezetters te blijven, was hij vanaf 1942 gedwongen onder te duiken. “Aandoenlijk is dat Jan van Gilse naar al zijn onderduikadressen de drie zware folianten, partituren van zijn opera Thijl met zich meesleepte. De Duitsers, voortdurend naar hem op zoek, besloten hem te treffen door zijn werk te verbieden en zijn muziek waar ze die maar te pakken konden krijgen, in beslag te nemen en te vernietigen.” [1] “Vanaf verschillende onderduikadressen redigeerde Van Gilse nog het door hem illegaal opgerichte blad De vrije kunstenaar, maar na enkele maanden moest hij dit werk opgeven omdat hij door het telkens wisselen van adres niet meer bereikbaar was. In de periode 1943-1944 werden zijn twee zoons, beiden actief in het verzet, gedood. Van Gilse heeft dat verlies niet kunnen verwerken. Op zijn achttiende onderduikadres, bij zijn collega-componist Rudolf Escher, werd hij ziek. Op 8 september 1944 overleed hij in het ziekenhuis in Oegstgeest, waar hij onder een schuilnaam was opgenomen.” [2]

(Bron: NIOD, archief DVK)
(Bron: NIOD, archief DVK)

Oorlogscomposities
Van Gilse was in september 1938 begonnen aan het scheppingsproces van zijn opera Thijl, een dramatische legende in een proloog, drie bedrijven en een epiloog. Het was gebaseerd op "De heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders" van Charles de Coster. Het libretto kwam van Hendrik Lindt, die zich later aan de kant van de nationaalsocialisten zou scharen. Van Gilse schreef in zijn autograaf van dit imposante werk de opdracht "Aan de strijders voor recht en vrijheid”.

Op 29 november [1940] zette Jan van Gilse de eindstreep achter het werk dat we thans kunnen beschouwen als zijn belangrijkste schepping. Op 5 december schreef hij aan Lindt: `Thijl is voltooid! Ik ben overgelukkig mijn werk tot een goed einde te hebben kunnen brengen. [] In het bijzonder is – dunkt mij – geslaagd de overgangsmuziek van het derde bedrijf naar de epiloog, een treurmuziek voor den dood gewaanden Thijl." [1]

(bron: archief Jan van Gilse, Nederlands Muziek Instituut)
(bron: archief Jan van Gilse, Nederlands Muziek Instituut)
In de bezettingstijd heeft de geboren Rotterdammer alleen nog gewerkt aan een declamatorium voor spreekstem en orkest, Rotterdam genaamd, op een tekst van Jan Prins. De componist kwam in 1942 door de zware omstandigheden niet verder dan een onvoltooide partituur van slechts 27 pagina’s.

Geestelijk vader muziekorganisaties 
Na de oorlog ontstonden uit de Stichting Nederlandse Muziekbelangen en de Buma onder meer de Stichting Donemus en het Bumafonds. Deze belangrijke muziekorganisaties, waarvan Jan van Gilse de geestelijk vader was, hebben al vele generaties na-oorlogse componisten in Nederland de nodige steun gegeven. In deze organisaties én in zijn muziek, waarvoor de laatste jaren een hernieuwde belangstelling bestaat, leeft Jan van Gilse postuum nog altijd voort.

Tekst: Geert van den Dungen


Muziek
Links
Documenten
Literatuur
  • Jan van Gilse en zijn opera Thijl, Dr Hans van Dijk; Geneco Amsterdam, 1980 [1]
  • Het HonderdComponistenBoek, Nederlandse muziek van Albicastro tot Zweers, Pay-Uun Hiu & Jolande van der Klis; Haarlem/Hilversum, 1997 (Jan van Gilse door Hans van Dijk, p.138-141) [2]
  • Pijper contra Van Gilse, Een rumoerige periode in het Utrechtse muziekleven, Ada van Gilse-Hooijer; Utrecht/Baarn, 1963
  • Jan van Gilse, Strijder en Idealist, Een bijdrage tot de kennis van de Nederlandse Muziekgeschiedenis in de periode 1900-1944, Hans van Dijk; Frits Knuf, z.pl., 1988
  • Muziek in de schaduw van het Derde Rijk, De Nederlandse symfonie-orkesten, 1933-1945, Pauline Micheels; Walburg Pers, Zutphen, 1993
  • Nederlandse muziek in de 20-ste eeuw, Voorspel tot een nieuwe dag, Leo Samama; Amsterdam University Press/Salomé Amsterdam, 2006