Als jonge, constructieve componist had Rudolf Escher het moeilijk om te leven in een tijd van chaos, vernietiging en onzekerheden. Als ethicus pur sang was hij altijd op zoek naar de juiste kern achter de grote waarheden van het leven. Zijn composities uit de bezettingstijd zijn directe reflecties van zijn intellectuele geest, met daarin het constante besef in een destructieve tijd te leven. Zijn werken waren een daad van verzet tegen het oorlogsgeweld.
Ook na de oorlog probeerde Escher in zijn werken het ware gezicht van de vrede te vinden. Met uiterste precisie en zorgvuldig overwogen muzikale formuleringen heeft Escher zijn oeuvre gestalte gegeven.
Voor de oorlog
Rudolf Escher (bron: Nederlands Muziek Instituut)Het leven van Rudolf Escher begon vlak voor de Eerste Wereldoorlog in Amsterdam. Na enkele jeugdjaren op Java, waar zijn vader werkte als geoloog, volgde hij het gymnasium in Leiden. Door zijn veelzijdige talenten kon hij eerst niet kiezen tussen muziek, beeldende kunst of letteren. Het werd muziek. Van 1931 tot 1937 studeerde Escher piano en compositie aan het Toonkunst Conservatorium in Rotterdam. Als leerling van Willem Pijper (1934-1937) schreef Escher alleen kamermuziek. Zijn eerste orkestwerk, het Largo uit de Sinfonia in memoriam Maurice Ravel, componeerde hij in 1940, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.
Besef van een destructieve tijdsgeest
Ongelukkigerwijs gingen tijdens het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 vrijwel alle composities van Escher uit zijn jeugdjaren en studietijd bij Pijper verloren. “De daarop volgende vijf jaren zijn voor de verdere vorming van de `psyche’ van Rudolf Escher cruciaal geweest: door het destructieve geweld van de Teutoonse laarzen, door de ondergrondse activiteiten, door zijn medewerking aan De Vrije Katheder en door zijn compositorische werkzaamheden. "Mijn werk uit deze periode heeft een soort zwaarte gekregen, een verbetenheid hier en daar, die het duidelijk doen beseffen als gegroeid temidden van rampen. Dat is er voor mij persoonlijk juist de ethische betekenis van: dat het constructies zijn van de geest, in een tijd dat geest’ (als je zoiets nog zo noemen kunt) haast uitsluitend voor volkomen destructieve doeleinden wordt aangewend." [1]
Escher behoorde tot een select gezelschap van componisten die pertinent weigerden zich aan te melden bij de Kultuurkamer. Andere 'dissidenten' in deze waren onder anderen Jan van Gilse, M.A. Brandts Buys, Hans Henkemans, Karel Mengelberg, Hans Osieck en Marius Flothuis. Escher werkte tijdens de oorlog mee aan De Vrije Katheder, een kleine illegale periodiek, opgezet in november 1940 door Amsterdamse studenten en vooral gericht op het politiek-culturele verzet. In de loop van 1943 werkten hier ook Bertus van Lier, Paul Sanders, schrijver Theun de Vries en antropoloog-huisarts Arie de Froe aan mee.
Oorlogscomposities
De belangrijkste oorlogscomposities van Escher zijn het indrukwekkende orkestwerk Musique pour l'esprit en deuil voor orkest (1941/43), de Sonata concertante voor cello en piano (1943) en Arcana Musae Dona voor piano uit 1944. Ook enkele werken uit de naoorlogse jaren zijn bij Escher ontstaan vanuit een denken over oorlog en vrede. Zoals het orkestwerk Hymne du grand Meaulnes en Le vrai visage de la paix voor koor a cappella. “Deze composities zijn dan niet 'temidden van rampen' ontstaan, maar er klinkt ook uit deze muziek een zoeken naar vrede, naar evenwicht, naar een verloren Arcadië, naar zuivere lucht. Hoe 'zuiver' kan de lucht in een compositie zijn? Het antwoord hierop bieden de koorwerken Songs of Love and Eternity en Ciel, Air et Vents.” [1, Brief aan Piet, 27 mei 1945]
Na de oorlog
Escher hield zich na alle ellende vast aan zijn eigen compositietaal en liet hij zich niet beïnvloeden door modernistische nieuwe stromingen. “Rudolf Escher was in die zin een behoudende componist. In andere zin, namelijk als eigentijds componist, was zijn keuze niet het resultaat van een bot weigeren met zijn tijd mee te gaan, maar een minutieus afwegen van de mogelijkheden van elke nieuwe techniek. Componeren is nu eenmaal niet hetzelfde als een techniek aanhangen.” [1] Het lijkt dus haast vanzelfsprekend dat hij tussen 1959 en 1961 in Delft en Utrecht de technische mogelijkheden en onmogelijkheden van de dan in zwang zijnde electronische muziek heeft bestudeerd. Vervolgens kwam hij tot de conclusie dat deze niet voldoende aan zijn esthetische waarden beantwoordde.
Kort na de bevrijding werd Escher medewerker voor muziek en beeldende kunst van De Groene Amsterdammer (1945-1946) en vestigde hij zich in Amsterdam. Later werd Escher, op voorspraak van prof. Eduard Reeser, benoemd tot wetenschappelijk hoofdmedewerker muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hier gaf hij tussen 1964 en 1975 colleges over de muziek van de twintigste eeuw en deed hij muziektheoretisch en audiologisch onderzoek. Escher publiceerde ook essays en artikelen in diverse dagbladen en tijdschriften. Intussen bleven Franse componisten als Ravel en Debussy een blijvende inspiratiebron voor hem.
Tekst: Geert van den Dungen
| Muziek | |
|---|---|
| |
| Links | |
|---|---|
| |
| Documenten | |
|---|---|
| |
| Literatuur | |
|---|---|
| |