logo
 
zoek
    print
 
 

Rudolf Escher (1912-1980), zorgvuldig formulerend ethicus en estheticus

Als jonge, constructieve componist had Rudolf Escher het moeilijk om te leven in een tijd van chaos, vernietiging en onzekerheden. Als ethicus pur sang was hij altijd op zoek naar de juiste kern achter de grote waarheden van het leven. Zijn composities uit de bezettingstijd zijn directe reflecties van zijn intellectuele geest, met daarin het constante besef in een destructieve tijd te leven. Zijn werken waren een daad van verzet tegen het oorlogsgeweld. 

Ook na de oorlog probeerde Escher in zijn werken het ware ge­zicht van de vrede te vinden. Met uiterste precisie en zorgvuldig overwogen muzikale formuleringen heeft Escher zijn oeuvre gestalte gegeven.

Voor de oorlog
Rudolf Escher (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Rudolf Escher (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Het leven van Rudolf Escher begon vlak voor de Eer­ste Wereldoor­log in Amsterdam. Na enkele jeugd­ja­ren op Java, waar zijn vader werkte als geo­loog, volgde hij het gymna­sium in Lei­den. Door zijn veelzijdige talenten kon hij eerst niet kiezen tussen mu­ziek, beel­dende kunst of letteren. Het werd muziek. Van 1931 tot 1937 studeerde Escher piano en compositie aan het Toon­kunst Con­servatori­um in Rotterdam. Als leerling van Willem Pijper (1934-1937) schreef Escher alleen kamermuziek. Zijn eerste orkestwerk, het Largo uit de Sinfonia in memoriam Maurice Ravel, componeerde hij in 1940, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Besef van een destructieve tijdsgeest
Ongelukkigerwijs gingen tijdens het bombardement op Rotterdam op 14 mei 1940 vrijwel alle composities van Escher uit zijn jeugdjaren en studietijd bij Pijper verloren. “De daarop volgende vijf jaren zijn voor de verdere vorming van de `psyche’ van Rudolf Escher cruciaal geweest: door het destructieve geweld van de Teutoonse laarzen, door de ondergrond­se activiteiten, door zijn medewerking aan De Vrije Katheder en door zijn compo­sitorische werkzaamheden. "Mijn werk uit deze periode heeft een soort zwaarte gekre­gen, een verbetenheid hier en daar, die het duidelijk doen beseffen als gegroeid te­mid­den van rampen. Dat is er voor mij persoonlijk juist de ethische betekenis van: dat het con­struc­ties zijn van de geest, in een tijd dat geest’ (als je zoiets nog zo noe­men kunt) haast uitslui­tend voor volkomen destructieve doeleinden wordt aan­gewend." [1]

Escher behoorde tot een select gezelschap van componisten die pertinent weigerden zich aan te melden bij de Kultuurkamer. Andere 'dissidenten' in deze waren onder anderen Jan van Gilse, M.A. Brandts Buys, Hans Henkemans, Karel Mengelberg, Hans Osieck en Marius Flothuis. Escher werkte tijdens de oorlog mee aan De Vrije Katheder, een kleine illegale periodiek, opgezet in november 1940 door Amsterdamse studenten en vooral gericht op het politiek-culturele verzet. In de loop van 1943 werkten hier ook Bertus van Lier, Paul Sanders, schrijver Theun de Vries en antropoloog-huisarts Arie de Froe aan mee.

Oorlogscomposities
De belangrijkste oorlogscom­posities van Escher zijn het indrukwekkende or­kestwerk Musi­que pour l'es­prit en deuil voor orkest (1941/43), de Sonata concertante voor cello en piano (1943) en Ar­cana Mu­sae Dona voor piano uit 1944. Ook enkele werken uit de naoorlogse jaren zijn bij Escher ontstaan vanuit een denken over oorlog en vrede. Zoals het orkestwerk Hymne du grand Meaulnes en Le vrai vi­sa­ge de la paix voor koor a cappella. “Deze composities zijn dan niet 'temidden van rampen' ontstaan, maar er klinkt ook uit deze mu­ziek een zoeken naar vre­de, naar evenwicht, naar een verloren Arcadië, naar zuivere lucht. Hoe 'zui­ver' kan de lucht in een com­posi­tie zijn? Het antwoord hierop bieden de koor­werken Songs of Love and Eterni­ty en Ciel, Air et Vents.” [1, Brief aan Piet, 27 mei 1945]

Na de oorlog
Escher hield zich na alle ellende vast aan zijn eigen compositietaal en liet hij zich niet beïnvloeden door modernistische nieuwe stromingen. “Ru­dolf Escher was in die zin een behoudende componist. In ande­re zin, namelijk als eigentijds componist, was zijn keuze niet het resultaat van een bot wei­geren met zijn tijd mee te gaan, maar een minu­tieus afwegen van de mogelijkheden van elke nieuwe tech­niek. Com­po­neren is nu eenmaal niet het­zelfde als een tech­niek aanhangen.” [1] Het lijkt dus haast vanzelfsprekend dat hij tussen 1959 en 1961 in Delft en Utrecht de technische mogelijkheden en onmogelijkheden van de dan in zwang zijnde electronische muziek heeft bestudeerd. Vervolgens kwam hij tot de conclusie dat deze niet voldoende aan zijn esthetische waarden beantwoordde.

Kort na de bevrijding werd Escher medewerker voor muziek en beeldende kunst van De Groene Amsterdammer (1945-1946) en vestigde hij zich in Amsterdam. Later werd Escher, op voorspraak van prof. Eduard Reeser, benoemd tot wetenschappelijk hoofdmedewerker muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Hier gaf hij tussen 1964 en 1975 colleges over de muziek van de twintigste eeuw en deed hij muziektheoretisch en audiologisch onderzoek. Escher publiceerde ook essays en artikelen in diverse dagbladen en tijdschriften. Intussen bleven Franse componisten als Ravel en Debussy een blijvende inspiratiebron voor hem.

Tekst: Geert van den Dungen


Muziek
Links
Documenten
Literatuur
  • Muziek in de schaduw van het Derde Rijk / De Nederlandse symfonieorkesten 1933-1945, Pauline Micheels; Walburg Pers, 1993
  • Nederlandse muziek in de 20-ste eeuw / Voorspel tot een nieuwe dag, Leo Samama; Amsterdam University Press / Salomé, 2006
  • Rebel, mijn hart: kunstenaars 1940-1945, Jan van Adrichem & Max Nord; Waanders, 1995 [L. Samama, Musici in oorlogstijd]
  • Rudolf Escher en M.C. Escher/Beweging en metamorfosen/Een briefwisseling, voorwoord L.D. Couprie; Meulenhoff/Landshoff, 1985