logo
 
zoek
    print
 
 

Gisela Wieberdink-Söhnlein (1921), zingen om moed te geven [met film]

Spottende teksten kwamen in de kampen Vught en Ravensbrück in vlot tempo uit de pen van Gisela Söhnlein. Met haar onafscheidelijke vriendin Hetty Voûte schreef en zong ze talloze cabaretliedjes. "Het was een opdracht die we onszelf stelden, het werd van ons verwacht."


Gisela Wieberdink-Söhnlein
Gisela Söhnlein werd de dag na Dolle Dinsdag (5 september 1944) met Hetty Voûte vanuit Vught naar Ravensbrück op transport gesteld. Een afschuwelijk transport.

"Na twee dagen en drie nachten met z'n tachtigen in een goederenwagon was geen pretje. Maar daar schreven we dan ook weer een liedje over. Het is een beetje vreemd, maar dat maakte ons dan bijna weer vrolijk. We hoorden het geschut van de geallieerden. Dus toen we aankwamen in Ravensbrück waren we nog heel optimistisch, we dachten dat we het nog wel even uit zouden houden. Maar wat we daar zagen was een kijkje in de hel. De meest afschuwelijke geraamtes liepen rond, het waren tonelen uit een andere wereld. We wisten niet eens hoe we daarop moesten reageren. We moesten na aankomst eerst in quarantaine, toen maakten we onze eerste liedjes, zoals Op transport.”

Joodse kinderen helpen in Amsterdam
Als studentes waren Gisela en Hetty betrokken geraakt bij het helpen onderduiken van joodse kinderen. Gisela studeerde in Amsterdam en woonde recht tegenover het hoofdkwartier van de Gestapo in de Euterpestraat. Vanuit haar kamer zag en hoorde ze de overvalwagens af en aan rijden, mensen werden hardhandig het Gestapogebouw in gewerkt. Er werd geschreeuwd en gehuild, honden van de Gestapo blaften luid. “Het was heel dichtbij, vreselijk. Wat daar allemaal gebeurde.... In die tijd vroeg een medestudent me ook om joodse kinderen te helpen. Dat deden we, we hielpen ze onderduiken op adressen in en buiten Amsterdam. Het was gevaarlijk, het mocht natuurlijk niet van de Duitse bezetters, maar daar wilden wij ons niet aan houden, dat vonden we niet nodig." De Duitse bezetters dachten daar echter anders over.

Communiceren via Sinterklaasliedjes in de gevangenis
Op 12 juni 1943 werd Hetty als eerste door de Sichterheidsdienst (SD) gearresteerd, de volgende dag was Gisela aan de beurt. Ze werden naar het grootseminarie in Haaren gebracht, dat door de SD als gevangenis was ingericht. Ze kwamen in verschillende cellen terecht, maar door de tuimelraampjes boven de deuren konden ze contact houden met elkaar. Dat deden ze vooral door te zingen. Hetty was daarmee begonnen, om haar zenuwen te bedwingen. Gisela beantwoordde haar door terug te zingen. "We namen al zingende onze verhoren door en stemden deze op elkaar af. We ontdekten dat we zo met elkaar konden communiceren, de Duitsers hadden het niet in de gaten."

Toen ze werden overgebracht naar andere cellen, met dichtgetimmerde tuimelraampjes, gebruikten ze gaten in de muur om contact met elkaar te houden. Via de gevangene in de cel tussen hen in gaven ze briefjes aan elkaar door. Ze ontwikkelden een communicatiesysteem van Sinterklaasliedjes. Wanneer de één een bericht wegstuurde, zong deze ‘Zie ginds komt de stoomboot’. De ander antwoordde dan met ‘Vol verwachting klopt ons hart’. Was het briefje goed ontvangen, dan klonk ‘O kom er eens kijken, wat ik in mijn schoentje vind’.

De jongens van het Englandspiel
"Via de gaten in de muur hadden we ook contact met twee jongens van het Englandspiel, Huib Lauwers en Han Jordan, ze zaten boven ons. Han Jordan heeft het einde van de oorlog niet gehaald, Huib heb ik na de oorlog nog ontmoet. We hadden het over vanalles, we hebben heel wat gelachen. Ze leerden ons Engelse liedjes. Hetty smokkelde een kaartje naar boven, want ze hadden geen idee waar ze terecht waren gekomen. Toen er een paar jongens van het Englandspiel waren ontsnapt hebben ze alle cellen doorzocht en de gaten in de muur gevonden. Volgens Hetty zijn we daarom als strafmaatregel naar Vught gebracht." Dat gebeurde in december 1943. Ze zouden tien maanden in Vught blijven.

Pooh & Piglet treden op in Vught en Ravensbrück
In Vught zaten ze niet langer in eenzame opsluiting en konden ze gewoon met elkaar praten, maar de vriendinnen bleven zingen. Voor het eerst hadden ze een publiek. Al in Haaren hadden ze van een medegevangene bijnamen gekregen, Gisela werd Piglet genoemd en Hetty Pooh, naar de figuren uit het book ‘Winnie de Pooh’ van Alan A. Milne. Ze werden bekend als het duo Pooh & Piglet, ofwel P&P. Ze schreven hun eigen teksten op bekende, bestaande melodieën van onder andere Louis Davids, Charles Trenet, melodieën uit vroegere zomerkampen, Duitse of Franse wijsjes, volksliedjes en eigen variaties op Lily Marleen. Ook maakten ze parodieën en persiflages.

"Voor Pasen 1944 bedachten we met de andere gevangenen een bonte middag. 'Wij zorgen wel voor cabaretliedjes', zeiden wij. We waren met honderden vrouwen, bijna iedereen was er. We traden op tussen de barakken. Vrouwen zaten denk ik op de grond, of stonden, ik weet het niet meer precies. Een van de vrouwen deed alsof ze draaide aan een groot orgel, hóempapa... hóempapa.... We begonnen met Mistvieh, op het wijsje van het Tolhuis. We hadden toen een stuk of zes liedjes. Er stond iemand op de uitkijk, als er een Aufseherin was gekomen hadden we moeten ophouden."

Liedjes als troost, vermaak en afleiding
Ook de liedjes die ze in Ravensbrück schreven waren een mengsel van ironie en amusement, zoals Ravensbrück-les-Bains. Ze schreven ze 's avonds, na het werk overdag, waarbij ze onder andere spoelen moesten draaien voor technische onderdelen. Gezongen werden ze vooral op zondagmiddag in de barakken, zondag was hun vrije dag. De liedjes boden troost, vermaak en afleiding aan kampgenoten. Het waren 'dwangarbeidsvitaminen’. "Er was een vrouw met wie we gevangen zaten in Ravensbrück, een overtuigd communiste. Ze geloofde niet in de Lieve Heer, maar zei: jullie liedjes, dat zijn mijn psalmen."

Gisela en Hetty verloren zelden hun optimisme en bleven op nuchtere, humoristische en spottende wijze hun leven in het kamp bezingen. "We hebben die liedjes gemaakt omdat we het niet konden laten. We hadden een drang om iets te maken, het was ook een heerlijke bezigheid." Toch waren er momenten van ernstige twijfel. In 1944 werd in Ravensbrück een gaskamer in gebruik genomen waar oudere vrouwen werden vergast. "Maar het hielp de mensen, het kon ze moed geven. Daarom vonden we dat we het juist moesten doen. Al was het een hele angstige tijd. Zingen was een opdracht die we onszelf stelden, het werd van ons verwacht."

Geen cabaret meer na de oorlog
Toen het kamp in april 1945 door de Zweden werd bevrijd, konden ze mee naar Zweden met een Rode Kruis-transport van twintig bussen die zo’n achthonderd vrouwen uit Nederland, België en Frankrijk vervoerden. Vandaaruit keerden ze terug naar Nederland.

Na de oorlog pakte Gisela haar rechtenstudie weer op en studeerde af in 1947. Ze trouwde en werkte onder andere bij een bureau voor psychologisch marktonderzoek. Haar nuchterheid en gevoel voor humor heeft ze nog altijd. De liedjes heeft ze nog maar zelden gezongen. De eerste keer was in de jaren tachtig, toen de toenmalige Zweedse Rode Kuis-chauffeurs op uitnodiging in Nederland waren.

"Achteraf blijkt dat de woorden van ons liedje 'Als we weer zijn thuisgekomen', op de bekende melodie van Louis Davids, veel indruk gemaakt heeft op de mensen. Na de oorlog bleek dat veel mensen de tekst van dit liedje op een papiertje hadden. Het was een van de weinige liedjes die iedereen kon begrijpen. Want die andere liedjes, die sloegen alleen op ons, op Vught en Ravensbrück. Die konden anderen moeilijk plaatsen, ze wisten niet waar het over ging."

Tekst: Nicole Janssen


Muziek
Links
Literatuur
  • The heart has reasons: Holocaust rescuers and their stories of courage, Mark Klempner; Pilgrim Press, 2006
  • Hoor de vrouwen zingen; Literair Eetcafé Miller, mei 1987