logo
 
zoek
    print
 
 

Hans van Collem (1920-2010), de stille kracht van een toon [met film]

Musicus Hans van Collem kwam een jaar voor de bevrijding in de strafbarak van Westerbork terecht. Daar richtte hij een joods mannenkoor op. "Ik vond, we laten ons niet kapotmaken, we gaan zingen". Tijdens ontspanningsuren in de middag of vroege avond luisterden honderden 'strafgevallen' naar joodse liturgische gezangen en liedjes. 

“In de strafbarak kwam ik muziekstudenten en musici tegen. Ik was bezeten van koorzingen. Ik vond: we laten ons niet kapotmaken, we gaan zingen. Een aantal mannen kreeg ik zo ver om 's avonds in de barak te repeteren, dat werd oogluikend toegestaan. Ook daarbuiten waren we met muziek bezig. Soms zaten we bijvoorbeeld tijdens het rooien van de aardappels over muzikale problemen te dibben. Dan trokken we met de vingers notenbalken in het zand, losten de problemen op en schreven de oplossing 's avonds in de barak op wc-papiertjes. We hadden helemaal niets, in de strafbarak waren instrumenten verboden. We hadden alleen de gevangeniskleding die we kregen van de bezetter.”

In het groene dal, stille dal
In de strafbarakken waren geen cabaret- en muziekuitvoeringen als in het andere deel van het kamp. Op de 'vrije' zondagen ontstond vaak spontaan het idee te gaan zingen. Onder leiding van Hans zong het mannenkoor dan joods-liturgische, profane en nostalgische liedjes, ook Jiddische. "Zullen we even, zeiden we dan tegen elkaar, en dan gingen we naar buiten. De meeste strafbarakbewoners kwamen luisteren. Ze stonden te janken bij de uitvoeringen. Door de musici uit de strafbarak werd heel fraai gezongen, het waren ook musici die ver boven me stonden. Maar ik had de capaciteit ze mee te krijgen. De optredens deden we buiten, achter de strafbarak, de buitenmuren van de bakstenen plas- en poephuisjes dienden als klankborden. Er werd ook naar nostalgische liedjes gevraagd, we zongen onder andere ‘In het groene dal, stille dal’.”

Schoonheid en troost in onmenselijke omstandigheden
Een kleine week na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, vertrok op 13 september 1944 de laatste trein uit Westerbork met gevangenen die werden doorgestuurd naar kampen in Duitsland en Polen.Psalm 100, geschreven door Hans van Collem op een wc-papiertje uit het kamp
Psalm 100, geschreven door Hans van Collem op een wc-papiertje uit het kamp
Van de ruim duizend mensen in de strafbarakken zouden er enkele tientallen in Westerbork achterblijven, maar niemand wist wie. Zingen op de zondag ervoor viel nauwelijks op te brengen. Toch besloten de koorleden het wel te doen, het bood een moment van schoonheid en troost in onmenselijke omstandigheden. Hans vertelt dat een enkele toon mensen zó kon raken, dat ze een wereld achter de muziek konden voelen. Een groot en abstract Niets dat losstaat van de dagelijkse werkelijkheid. “Dat gebeurde in de strafbarak in Westerbork en de mensen proefden dat. Wij, de zangers, deden het, de toehoorders voelden en begrepen het. Het gebeurt me nog wekelijks, zo'n openbaring die muziek en zang bij mensen teweeg kan brengen. De taaluitstraling van muziek is zo groots, zo machtig. Een enkele toon kan al zo machtig zijn.”

Na 13 september 1944 was Westerbork geen doorgangskamp meer, wel bleef het een gevangenis. Hans behoorde uiteindelijk tot de 69 mensen uit de strafbarak die niet werden doorgestuurd. In het 'vrije' kamp waren ongeveer vierhonderd mensen achtergebleven. Het koor uit de strafbarak bestond niet meer. Met anderen richtte Hans een nieuw klein mannenkoor op, dat tot ongeveer januari 1945 zong. Daarna brachten de naderende geallieerde legers zoveel spanning teweeg, dat de aandacht van de koorleden om te zingen verslapte. Kort na de bevrijding op 12 april 1945 door de Canadezen namen de Engelsen het toezicht op het kamp over. Uit protest tegen hun verlengde gevangenschap knipten Hans en anderen het prikkeldraad rond het kamp door en verlieten het illegaal.

Dilemma in Gouda, 1942
Hans is opgegroeid in Gouda. Gouda was één van de steden waar enkele honderden eerder gevluchte Duitse joden, die gedwongen waren de Hollandse kuststreek te verlaten, hun toevlucht namen. Ook de ouders van Hans namen een familie in huis. Hans raakte bevriend met Hans Kalenbergh, wiens gezin een straat verder onderdak had gevonden. Kalenbergh was een verwoed koorzanger.

Hans richtte een klein mannenkoor op, het telde zo’n tien leden. Ze gaven af en toe uitvoeringen in de synagoge in Gouda. “We zongen bij de aankondiging van de anti-joodse maatregelen en tijdens bijeenkomsten van de joodse gemeenschap in Gouda. Toen we ons gereed moesten maken voor deportatie en onze koffers moesten pakken stonden we in dubio: moesten we bij zo'n gelegenheid wel zingen.... Maar mijn vader zei 'ze laten ons werken, we overleven het wel, met Gods hulp komen we terug'. We zongen toen synagogale gezangen, als een vorm van troost en als een vorm van lijfsbehoud. Evenals later in de strafbarak in Westerbork."  

Jom Kippoer, 1942
Eén van de anti-joodse maatregelen viel in september 1942 tijdens Jom Kippoer, Grote Verzoendag. Er was een lange dienst in de synagoge die de hele dag duurde. Een van de gemeenteleden, Sal Gomperts, werd tijdens de dienst door een Hollandse SD-er uit de synagoge gehaald en met zijn vrouw en twee dochtertjes onmiddellijk op transport gezet. “Dat was Jom Kippoer 1942. Daarna heeft het koor niet meer gezongen.”

Ouders en zus geen schijn van kans
Ongeveer een jaar voor Hans in Westerbork terecht kwam waren zijn ouders en zus er korte tijd. Zij hebben de oorlog niet overleefd. Zijn ouders hadden zich op bevel van de Duitsers op 22 april 1943 in Vught gemeld, waarna ze begin mei naar Westerbork werden getransporteerd. Op 16 mei 1943 kwamen ze in vernietigingskamp Sobibor aan, nog diezelfde dag zijn ze omgebracht. "Ze hadden geen schijn van kans", zegt Hans. Het leven van zijn zus en haar man eindigde op dezelfde manier.

Hans is niet met zijn ouders meegegaan, hun lot bleef hem daardoor bespaard. Door wat onenigheid met de andere leden van Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap in Gouda was hij in 1938 als lid teruggetreden. Dit, in combinatie met de resultaten van een stamboomonderzoek uit 1942 gaf hem de status van halfjood, wat hem enige tijd bescherming bood. Kort nadat zijn ouders waren vertrokken dook Hans in mei 1943 alsnog onder in Rotterdam, omdat hij zich had moeten melden voor krijgsgevangenschap. Eind maart 1944 werd hij echter verraden, gearresteerd en opgesloten in de politiegevangenis Het Haagse Veer in het centrum van de stad. Na twee maanden opsluiting werd hij naar Westerbork gestuurd waar hij, alsnog beoordeeld als voljoods, in de strafbarak terecht kwam. Persoonsbewijs Hans van Collem


Muzikale wortels

Zijn vader en moeder brachten Hans hun liefde voor muziek bij. “Ik herinner me nog dat mijn ouders uit ‘La Traviata’ zongen in de keuken.” Van zijn veertiende tot zijn zestiende zat hij op het Nederlands Israëlietisch Seminarium in Amsterdam. De conrector was net als Hans een groot muziekliefhebber en stimuleerde hem zijn muzikale gevoel verder te ontwikkelen. Om aan bladmuziek te komen bezocht Hans de Bibliotheca Rosenthaliana van de Universiteit van Amsterdam, waar hij composities van de bekende chazzan Katz overschreef.

Hij werd toegelaten tot het conservatorium in Rotterdam, met als hoofdvak piano en als bijvak altviool. Componist en dirigent Piet Ketting was in die tijd hoofddocent. Hij was dirigent van verschillende koren en een belangrijke inspiratiebron voor Hans. “Ik ben toen onder Piet Ketting begeesterd geraakt voor het dirigeren, hoe hij daar voor het koor stond. Ik had er handigheid in, in het dirigeren. Mijn theorie zat wel goed, maar instrumentaal-technisch schoot ik tekort. Ik kon alles wel heel goed aan een ander overbrengen.” Ook John Daniskas, een bekend muziektheoreticus, was als leraar aan het conservatorium verbonden. Hans kreeg zangles van zijn vrouw Corrie van Swieten, als dank voor het opschrijven van joods gezangen.

Ook na de oorlog bleef het leven van Hans in het teken staan van muziek: als koordirigent, muziekschooldocent en ensembleleider. Naar het voorbeeld van zijn ouders, gaf ook hij zijn liefde voor muziek door aan zijn kinderen. Alle vier volgden een conservatoriumstudie. Tot vlak voor zijn overlijden gaf hij steeds viool, altviool en pianoles, net als zijn zoons Sholem (viool) en Chajim (cello).

Tekst: Nicole Janssen


Muziek
Links
Documenten