logo
 
zoek
    print
 
 

Hans van Leeuwen (1911-2010), alles voor de orkestmusici

Toen Hans van Leeuwen in januari 1942 benoemd werd tot administrateur van de Arnhemse Orkest Vereeniging ( AOV) was het bestuur van het orkest net opgestapt, na een hooglopend conflict met het departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Zo kon het gebeuren dat Van Leeuwen als administrateur in z'n eentje het orkest door de oorlog moest zien te loodsen.

Hans van Leeuwen, 2009
Hans van Leeuwen, 2009
"Ik was nog maar kort in functie toen een van de orkestleden werd opgepakt en naar het concentratiekamp Amersfoort werd gevoerd. Men verdacht hem lid te zijn van de Jehova's getuigen. Geschrokken heb ik toen Eduard Flipse gebeld, de dirigent van het orkest in Rotterdam, die ook zo'n geval had. Samen zijn we toen naar Amersfoort gegaan om te bereiken dat we die musici eruit konden krijgen. Ten slotte kregen we het advies om met Dr. Bergfeld te gaan praten, de hoogste 'cultuurman' op het Rijkscommissariaat. het resultaat is geweest dat beiden zijn vrijgelaten." 

De orkesten tijdens de oorlog
De positie van de symfonie-orkesten werd in de oorlog sterk gewijzigd. Nederland telde acht professionele symfonie-orkesten, die in de jaren dertig bijna allemaal een (meestal kleine) rijkssubsidie ontvingen van het ministerie Van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Na de bezetting ging de sector kunst over naar het nieuwe, geheel door NSB-ers geleide Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, waarvan de afdeling Muziek geleid werd door Jan Goverts. Het departement zelf stond onder supervisie van het Rijkscommissariaat. Naar Duits model werd kunst een staatszaak en de acht orkesten in feite staatsorkesten. Omdat in Duitsland de arbeidsvoorwaarden voor de orkestmusici veel beter waren, gingen nu ook in Nederland de overheidssubsidies voor de salarissen van de musici spectaculair omhoog. Daar stond tegenover dat de overheid de orkesten alle mogelijke ge- en verboden oplegde. "Ik probeerde de zaak draaiende te houden, maar me toch zo onafhankelijk mogelijk op te stellen, al mochten de subsidies niet in gevaar komen. De publieke belangstelling was enorm in die oorlogsjaren. We hadden uitverkochte zalen.

De mensen hadden veel zorgen, met de muziek viel voor even de oorlogspropaganda van hen af. Dat is ook een belangrijk punt van overweging geweest: we konden het publiek niet in de steek laten. Talloze brieven kregen we, dankbetuigingen." 

Maatregelen van de overheid
Al een paar maanden na de bezetting werd op last van de Duitsers  muziek van joodse, Engelse en Poolse componisten verboden, evenals zogenaamde andere entarte muziek. In de loop van 1941 mocht ook muziek van Russische en Amerikaanse componisten niet meer gespeeld worden, Franse muziek was met mate toegestaan. In mei 1941 waren joden uit de symfonieorkesten ontslagen, in totaal 57 musici (waarvan zeven van de AOV), ruim elf procent van het totaal aantal musici in de symfonie-orkesten. Ook werd het joden verboden om concerten te bezoeken, met uitzondering van die van het Joodsch Symfonie-Orkest.

Eind 1941 werd de Kultuurkamerverordening van kracht: alle 'cultuurwerkers' moesten, wilden zij hun beroep uitoefenen, lid worden van de Kultuurkamer. Orkestmusici werden collectief via hun orkest aangemeld. Voor joden was de Kultuurkamer verboden. Daarnaast eiste het departement dat, in ruil voor de sterk gstegen subsidies, minstens dertig procent van de concertprogramma's uit Nederlandse muziek zou bestaan en dat de orkesten meewerkten aan 'bijzondere concerten' voor doelen als Winterhulp, Frontzorg, en dergelijke. "Op een gegeven moment werd ons gebouw Musis Sacrum op last van het departement in beslag genomen. Dit zou kunnen betekenen dat het orkest dan vrijwel geen concerten meer zou kunnen geven, met alle problemen daaraan verbonden. Tenslotte ben ik naar het bureau van de Ortskommandatur gegaan om te vragen dit besluit in te trekken. Het beslag werd inderdaad opgeheven, maar op het departement waren ze woedend dat ik buiten mijn bevoegdheden was getreden." 

"Het grootste probleem hadden we toen wij gedwongen werden om mee te doen aan een of andere manifestatie van het Niederrheinisches Landes Theater in Arnhem. Wij hebben ons tot het uiterste verzet entenslotte is onze plaats ingenomen door het Concertgebouworkest onder leiding van Willem van Otterloo. Ook een tournee naar het Ruhrgebied heb ik afgewezen. Op het departement waren ze me toen liever kwijt dan rijk. Maar mijn ontslag zou hebben betekend dat het hele orkest op straat kwam te staan en naar Duitsland zou worden gestuurd om daar de opengevallen plaatsen in de orkesten in te nemen." 

Band met het orkest
"De orkestleden hadden een grenzeloos vertrouwen in mij. Het oude bestuur had zich altijd heel regentesk opgesteld, van samenwerking was nauwelijks sprake geweest. De band onder de orkestleden was bijzonder goed. Eigenlijk was het mijn boeiendste orkest, waarmee ik me het meest verbonden heb gevoeld. De dirigent, Jaap Spaanderman, was een typische pedagoog met een geweldige dicipline. Hij hield een zekere afstand, maar er was wel een vertrouwde sfeer. Met de concertmeester Herman Krebbers, toen nog een jonge man, had ik nauw contact. Krebbers werd op handen gedragen in het orkest, hij had gezag." 

Arnhem in de vuurlinie
"Toen in september 1944 de Engelse parachutisten landden, werden op bevel van de Duitsers de bewoners van Arnhem gedwongen te evacueren. Uiteindelijk zijn we samen met de familie Spaanderman via Apeldoorn naar hun zomerhuis in Vierhouten gelopen. Enige dagen later zijn we verder getrokken naar een klein huisje in het bos in de omgeving van Ermelo en Putten. Ik wilde de band met de orkestleden handhaven en versterken door hen onder andere wat geld te bezorgen en het vertrouwen te geven om na de oorlog weer verder te gaan. Via het Rode Kruis en verder verkregen inlichtingen kreeg ik adressen van de geëvacueerde orkestleden. Daarna ben ik gaan praten met het Departement van Financien,dat een dependance had in Schalkhaar bij Deventer, om een voorschot op de subsidies voor de AOV-leden te krijgen. Dit werd toegestaan. Op een hulppostkantoor in Elspeet werden de grote bankbiljetten in klein geld gewisseld. Mijn vrouw administreerde het een en ander en ik bracht per fiets overal in het land de geldelijke bijdragen rond en verzekerde de orkestleden dat de AOV later gewoon terug zou komen." 

De laatste oorlogsmaanden
"Tot maart 1945 heb ik dat gedaan. Het was zeer moeilijk en zwaar om dat allemaal af te fietsen. Een paar keer ben ik aangehouden, maar ik had een Ausweis met daarop 'Waltarbeiter', dat papiertje had ik mezelf toegeeigend. Later ben ik naar Apeldoorn gefietst, waar de vroegere gemeentesecretaris Dr. Kipp van Arnhem zat. Met hem besprak ik wat er na de bevrijding met het orkest moest gebeuren. Arnhem was naar zijn mening onbewoonbaar geworden. Ik wilde proberen de rivieren over te steken en contact te zoeken met onze orkestverenigingen in Nijmegen en Den Bosch, in de hoop daar tijdelijk te kunnen beginnen. Direct na de bevrijding ben ik inderdaad naar Nijmegen en Den Bosch gegaan om daarover te praten. Beide orkestverenigingen wilden dit plan ondersteunen. Daartoe werden hen subsidies in het vooruitzicht gesteld. De wederopbouw van Arnhem echter bleek veel sneller te verlopen dan was verwacht. Het plan Nijmegen-Den Bosch had ten slotte geen zin meer."

Na de oorlog
Na de oorlog werkte Hans nog enkele jaren bij de AOV. Van 1947 tot en met 1959 werkte hij bij het Concertgebouworkest als directieassistent en orkest-nspecteur. Aansluitend vijfentwintig jaar bij het Utrechts Symfonie Orkest als directeur. Mede door zijn verdiensten tijdens de oorlog werd hij in 1973 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.   

Tekst : Pauline Micheels