logo
 
zoek
    print
 
 
NL  »  Landen  »  Overzicht Nederland  »  Amusement, jazz  »  Oorlog tegen de jazz
 

Oorlog tegen de jazz

In de loop van 1942 werden Nederlandse muzikanten geconfronteerd met het jazzverbod, ofwel het 'verbod van negroïde en negritische elementen in dans- en amusementsmuziek'. Met dit verbod genoot Nederland de twijfelachtige eer te beschikken over de best omschreven beknotting van de vrije muziekbeoefening in bezet Europa. Met de voorschriften werd in de praktijk op grote schaal de hand gelicht.


De tekst van het verbod liet zich lezen als een cursus in jazzterminologie. In eerdere versies was nog sprake van vage definities van jazz- en swingmuziek als 'nationaal prulwerk' en 'niet geschikt voor de Nederlandse volksgeest'. Maar nu waren er dan zeer nauwgezette instructies. Volgens een bericht van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) gold een verbod op de toepassing van growl op blaasinstrumenten, de scratchy klarinettoon, hot-intonaties, ostinate licks en riffs meer dan driemaal door één solist en meer dan zestienmaal door achtereen voor één sectie of voor twee of meer secties, het gebruik van plungers en wah-wah-dempers, enzovoort. Verantwoordelijk voor deze vaktaal was één van de weinige jazzke(Bron: NIOD/Beeldbank WO2)
(Bron: NIOD/Beeldbank WO2)
nners, de jazzscribent W.H.A. Steensel van der Aa. Hij stond bekend onder zijn pseudoniem Will Gilbert. Een studie aan het Royal College of Music leverde hem een graad op in de ethnomusicologie. Nog in zijn studententijd schreef hij als verdienstelijk amateurpianist enkele orkestarrangementen.

Blanken als goedkope imitators van echte jazz
Vanwege zijn kennis van zaken mocht Gilbert al snel toetreden tot de redactie van de Jazzwereld, het eerste Nederlandse jazzblad. Hij wist in enkele jaren een grote reputatie op te bouwen. Dat Gilbert wat racistisch in zijn benadering was werd toen nauwelijks als een probleem gezien. Volgens de expert konden alleen negers echte jazz maken en waren blanken alleen maar goedkope imitators. Die opvatting paste goed in de kraam van het DVK, dat Gilbert na de opheffing van De Jazzwereld gemakkelijks als medewerker kreeg.

Jazz als het zwarte gevaar in de jaren dertig
Het DVK liet zich in zijn afkeer van 'negermuziek' niet alleen leiden door wat Berlijn van deze 'ontaarde' kunstuiting dacht. Ook in de vooroorlogse Nederlandse samenleving bestond de nodige moeite met jazz. Na de Eerste Wereldoorlog werd jazz voor het eerst ook in Nederland ontdekt, om daarna snel in populariteit te groeien. In de jaren dertig deden de orkesten van Duke Ellington en Louis Armstrong met succes Nederland aan, crisis of niet. Mensen met een donkere of zwarte huid golden in die tijd nog als exotische verschijnselen. Al snel schoten zogenaamde 'zwarte clubs' als paddenstoelen uit de grond. Nederlandse muzikanten waagden zich ook op het pad van jazz en er ontstonden allerlei bands, waarvan The Ramblers de bekendste waren. De populariteit van de swingmuziek was vooral bij jongeren enorm. Veel bezorgde opvoeders uitten dan ook in één adem hun afkeer van zowel jazz als van het zwarte gevaar dat de eerbaarheid van Nederlandse meisjes zou bedreigen. De angst voor 'verwildering' was groot. De bisschop van Den Bosch wijdde al in 1927 een vastenbrief aan 'het nieuwe heidendom' met 'zijn alom verbreide moderne dansen'. Dit verhinderde niet dat jazz én de bijbehorende lichaamsbewegingen zich in de jaren dertig een vaste, zij het omstreden, plaats hadden weten te verwerven in de Nederlandse samenleving.

South Rapart Street wordt De ramp in de Zoutmanstraat
Tijdens de bezetting werd de aanval op jazz verhevigd in het kader van de nationaalsocialistische strijd tegen entartete Kunst. De instelling van de Kultuurkamer leek daarbij een handig instrument om de artiesten in de gewenste 'arische' richting te bewegen. Allereerst gebeurde dat letterlijk door joodse jazzmuzikanten uit te sluiten van optredens voor 'arisch' publiek. Ook 'negers, Maleiërs en Indiërs' werden uitgesloten, waaronder Surinaamse musici. Maar daarna kwamen al snel de pogingen om ook de muziek zelf aan banden te leggen. Aanvankelijk gebeurde dat nogal knullig via een verbod op het gebruik van Engelse titels. South Rapart Street bijvoorbeeld veranderde daardoor in De ramp in de Zoutmanstraat. Daarna volgde het 'Verbod op negermuziek'. Aan de hand van de door Gilbert opgestelde criteria trokken de DVK-controleurs het land in om hun zendingsarbeid te verrichten. Daarbij vormde de instelling het 'Muziekgilde' het instrument om eventueel straffen op te leggen. Zogenaamd was het gilde bedoeld om de beroepsmuzikanten te beschermen tegen de muziekbeoefening door 'dilettanten'. De politieke bedoelingen schemerden echter op de achtergrond. Toetreding was slechts mogelijk voor 'ariërs' en optredens in het openbaar waren pas mogelijk na goedkeuring van het repertoire. Dat laatste bood de gelegenheid om ook de muziek zelf in de gewenste richting bij te sturen.

Stijlvergunningen fiasco in de dagelijkse praktijk
Helaas voor het DVK bleek de praktijk erg weerbarstig, ondanks de hulp van de aangevers die de controleurs attent maakten op 'hysterische klankuitingen'. Vooral de WA [Weerbaarheidsafdeling] maakte fel jacht op de Swing-Jugend die zo 'slaafs' was opgevoed in de 'Amerikaanse wancultuur'. Deze hulp baatte niet echt. Op tal van In het Amsterdamse Broadway-café speelde in het eerste bezettingsjaar een band met zwarte muzikanten. Ondanks het feit dat de Duitsers dit soort uitvoeringen toen nog oogluikend toestonden, werden foto's als deze door de censuur verboden. (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
In het Amsterdamse Broadway-café speelde in het eerste bezettingsjaar een band met zwarte muzikanten. Ondanks het feit dat de Duitsers dit soort uitvoeringen toen nog oogluikend toestonden, werden foto's als deze door de censuur verboden. (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
plaatsen werd gewoon verder gemusiceerd en gedanst. Mochten de kerken tijdens de oorlog vol hebben gezeten, hetzelfde gold voor al dan niet clandestiene dansgelegenheden. De muzikanten die gewoon doorspeelden waren overigens bijna allen amateurs. De bepalingen van de Kultuurkamer hadden op hen minder betrekking. Er werd een poging ondernomen om ook voor deze categorie een systeem van speelvergunningen op te zetten. Daarvan maakte de uitbanning van 'negerse invloeden' natuurlijk ook weer onderdeel uit.

'Frisse Hollandse jongens en meisjes wiebelen op negerklanken'
In 1943 constateerde het DVK met trots dat 'de jazz- en negermuziek in Nederland definitief van de baan is'. Dat bleek grootspraak. Zowel professionele als amateurmuzikanten lichtten op grote schaal de hand met de voorschriften. Henk van Gelder meldt hierover (Ongehoord, Theater Instituut Nederland, 2005): "Dat blijkt bijvoorbeeld uit een rapportje van 13 september 1942 over het optreden van de orkesten van Pi Scheffer en Boy Edgar in het Gebouw van K&W in Den Haag. 'Het is werkelijk droevig aan te zien,' noteerde de rapporteur, 'hoe hier frisse Hollandse jongens en meisjes, prachtmateriaal voor jeugdstorm en SS, zitten te wiebelen op negerklanken van die geesten, die erop uit zijn om de jeugd te verpesten om hun praktijken te kunnen botvieren. Het moet uit zijn met dit soort cultuur. Hoe eerder, hoe beter.'" Zelfs in het populaire weekblad Cinema & Theater, dat zich in politiek opzicht doorgaans op de vlakte hield, klonken soortgelijke klachten. Zo schreef verslaggever Leo J. Capit op 6 augustus 1943 misprijzend over 'het klaarblijkelijke gemis aan beschaving van de ver-jazzte jeugd'. En op 26 juni van dat jaar klaagde ook een anonieme medewerker van de Haagse Post steen en been. "In een tijd als de onderhavige, waarin men zich graag op eigen waarden bezint, is het voor de hand liggend, dat ook de gangbare amusementsmuziek aan een nader onderzoek wordt onderworpen en het kan voor velen duidelijk zijn, dat een amusementsmuziek die zich in hoofdzaak op negerkunst inspireert, voor de Europeaan eigenlijk onwaardig is. Een sanering van de gangbare amusementsmuziek is dan ook hoog nodig en zij is van hogerhand aangevat." Ook onder Duitse soldaten bleef jazz overigens populair.

Het DVK gooit de handdoek in de ring
Secretaris-generaal De Ranitz van het DVK gooide in augustus 1944, vlak voor de totale ineenstorting van zijn departement, als eerste de handdoek in de ring. Hij schreef aan 'kameraad' Goverts, hoofd van de afdeling Muziek: "Ik heb mij de laatste tijd veel bezig gehouden met de bestrijding van jazzmuziek. Met alle eerbied voor Uw goede bedoelingen, ben ik van mening, dat de stijlvergunningen in de praktijk tot een fiasco leiden. Geen sterveling houdt er zich aan: deze jazzmensen kunnen nu eenmaal niet anders spelen dan zij gewend zijn. [...] Deze voorwaarden [van de stijlvergunningen] worden overigens in brede kring belachelijk gemaakt."

Zie ook Wegwijzer Nederland/Muziekleven, organisatie.

Tekst: Paul Koedijk