logo
 
zoek
    print
 
 

Muziek en amusement in kampen

De begintijd van de Japanse bezetting, met nog open 'beschermde' wijken voor vrouwen en kinderen, was nog goed leefbaar. Ze mochten barang [spullen, goederen] meebrengen naar het kamp, waaronder muziekinstrumenten. Uit de huizen kwamen nog piano-, viool- en grammofoonklanken. 

In de Bataviase wijken Tjideng en Kramat werden onder toezicht van de Japanse culturele commissie allerlei activiteiten georganiseerd, zoals muziekuitvoeringen. Dit kon dankzij de Japanse commandant Kondo, een beschaafde Engels sprekende 'econoom', zoals de meer ontwikkelde bestuurders werden genoemd. Perintah's [orders/bevelen] van zijn superieuren voerde hij zo mild mogelijk uit. Van deze grote muziekliefhebber werd gezegd dat hij de grootste verzameling grammofoonplaten van Batavia bezat. Hij kon hiervoor ruim putten uit in beslag genomen bezittingen.

Muziek en amusement in kampen
De kampbewoners hadden behoefte aan afleiding waardoor ze even boven hun deplorabele situatie konden worden uitgetild. Soms ging het om muziek die de gevangenen de dagelijkse ellende deed vergeten. Of om een cabaret waar in verholen termen kritiek werd geuit op de Japanse overheersing, of om een doldwaas optreden van als danseressen verklede en opgedofte mannelijke kampgenoten.

Openlijk lachen werd niet altijd op prijs gesteld door de Japanse kampleiding zoals bijvoorbeeld blijkt uit het relaas van Jo Manders in haar boek De lach uit leed geboren: "Op een middag zongen we met twee meisjes met accordeon op het voorerf zittend of staand. Onze commandant zat er op een stoel bij. We begonnen meen ik met 't Zonnetje gaat van ons scheiden (wat de Jappen nooit snapten!)[verwijzend naar de rode bol als rijzende zon op de Japanse vlag], gevolgd door enkele andere liedjes en eindigend met My Bonnie is over the Ocean. Waarop de Jap van puur plezier bijna van zijn stoel tuimelde. Later bleek dat op deze wijs en op die van nog enkele andere Engelse liedjes, Indonesische strijdliederen waren gemaakt, waarin Amerika en Engeland van de aardbodem werden weggevaagd (di strika). Daar zijn we pas na de oorlog achter gekomen. Er mocht al spoedig niet meer worden gezongen, daarop ook niet meer gelachen, waarop we tot grijnzen overgingen als we elkaar tegen kwamen. Dat laatste is nooit verboden geweest."

De mogelijkheden tot vermaak en amusement verschilden sterk van kamp tot kamp. In het ene kamp mocht wel, in het andere niet gezongen worden. De ene Japanse kampcommandant stond bij uitzondering toe dat de gevangenen een recreatief programma organiseerden, de ander gaf zijn gevangenen tot de laatste kampdag de gelegenheid om van muziek, cabaret, lezingen en discussies te genieten. Dat wil zeggen, als de gevangenen daar hun in sterk verzwakte condities nog de energie voor vonden. Zo was er in het vrouwenkamp Thihapit in Bandoeng een rijk cultureel leven. Daar organiseerde Corry Vonk voorstellingen met liedjes van Wim Kan, die ze het kamp in had weten te smokkelen.

Violist Szymon Goldberg
In een ander vrouwenkamp mocht de violist Szymon Goldberg optreden. Jo Manders: "Onze grote violist speelde het vioolconcert van Mendelssohn. Wij zaten allen op de cementen vloer van onze zogenaamde 'tennisbaan'. Het was een mooie tropische avond. Onze violist stond daar in z'n shirtje en shortje en speelde zo prachtig, zo hemels. Een avond vol schoonheid in een omgeving zo afschuwelijk. Ik was tot tranen toe ontroerd. En ik was niet de enige. In mei 1943 werd in het Brastagikamp op Sumatra een cabaretvoorstelling gegeven door een heuse juffrouw Snip en juffrouw Snap. Ook Ambarawa op midden-Java had een cabaret en in het kamp Kampili op Zuid-Celebes was een piano, er werd een kamplied gecomponeerd. Verjaardagen werden gevierd en zelfs Sinterklaas en Kerstmis. De vrouwen schraapten de kleinste dingetjes bij elkaar om er voor de kinderen toch iets aardigs van te maken.

Muziek en cabaret in basiskampen Birma
De zeldzame vrije tijd in de krijgsgevangenkampen werd yasume genoemd, hetzelfde woord als voor 'op de plaats rust'. Soms, na de verzorging van het eigen schamele huishoudinkje en zieke vrienden, was er tijd om aan amusement te denken. In de kampen aan de Birmaspoorweg, midden in het oerwoud, waren geen podia en was er geen verlichting. Maar in de grotere basiskampen, met meer voorzieningen, wisten bijvoorbeeld de Britten op te vallen met hun groots aangepakte amusementsprogramma's. Uit niets knutselden ze kostuums en decors in elkaar, geverfd met kleurstoffen uit verpulverde baksteen en karbouwenmest. De shows varieerden van cabaretprogramma's tot  complete  opera's met orkestbegeleiding. Mannelijke gevangenen speelden met verve en onder veel bijval de vrouwelijke rollen.

Een van die basiskampen was Kanchanaburi. Er waren toneelgroepjes en 's avonds werden shows opgevoerd. Eind 1943 hoorde Tom Douglas, die daarvoor werkte bij de BBC, op de kortegolf een nieuw liedje, White Chnstmas door Bing Crosby. Het moet in die tijd een wereldhit zijn geweest, het werd zo vaak gedraaid dat Douglas in staat was de woorden te noteren. Iemand anders schreef de melodie op, en zo kwam het dat het in de kerstshow uitgevoerd werd. De mannen die ooit damesrollen hadden gespeeld en het werk aan de spoorweg hadden overleefd, konden weer beginnen hun benen te scheren. Onder de Engelsen waren vechtjassen die het niet leuk vonden om hun officieren als vrouwen opgemaakt te zien. Maar de 'dames' kregen, zoals altijd, enorm veel bijval - daar was Bobbie met haar groepje van drie danseressen, beentjes hoog! En dan de ster van de Nederlandse show, een adembenemende schoonheid, die uit een grote bloem tevoorschijn kwam en met de duivel begon te dansen. (Gevangenen van de Japanners. Krijgsgevangenen in de Pacific gedurende de Tweede Wwreldoorlog, Gavan Daws; De Kern, 1996).

Kamp 2 Pakan Baroe
Zelfs in kamp 2 aan de Pakan Baroe-spoorlijn in Sumatra was enige vorm van vertier. Kamp 2 was het grootste kamp van alle nederzettingen langs de spoorbaan en het eindstation voor de meeste doodzieke patiënten die van de andere kampen werden aangevoerd. De situatie was extreem: in totaal stierven 2.494 van de 6.593 op transport gestelde krijgsgevangenen, hetzij tijdens de torpedering van de schepen waarop ze zaten, hetzij als gevolg van ondervoeding, ziektes, mishandeling en ongevallen. Daarnaast zijn er ongeveer 80.000 romusha's omgekomen, op Java geronselde arbeiders. Maar zelfs in het dodenkamp, Kamp 2, waren er Engelse krijgsgevangenen die het presteerden een cabaretgroepje op de been te houden. De Japanners, die dit wel toestonden, begrepen er niets van en vonden het nogal decadent. Ze vonden dat je als gevangene niet behoorde te lachen.

Ook een stel Nederlanders gaf in Kamp 2 gedurende een bepaalde periode wekelijks cabaretvoorstellingen onder de jolige titel Jungle Jamboree. Daaraan werkten onder anderen mee de zanger Leo van Maaren (bij de Japanse omroep NIROM bekend als Leo Morijn), de violist J. Th. Bratu die op 5 juli 1945 in Kamp 2 zou sterven, en J.G.H. Eggink die een reeks van eigen teksten en bitterwrange grappen voordroeg. Verder herinneren voormalige krijgsgevangenen zich de kampkapper, magnetiseur en verpleger Grünewald die de patiënten in de dysenteriebarakken regelmatig opvrolijkte met een eindeloze reeks moppen en conferences. En met Kerstmis 1944 speelde in Kamp 3 een bijzonder sexy Engels cabaretprogramma met zang en dans.

Schertsvertoning Pakan Baroe
Een merkwaardige gebeurtenis aan de Pakan Baroe-spoorlijn was een optreden van een dertig koppen tellend Japans muziekkorps. Enkele krijgsgevangenen ondernamen op bevel van de Japanners de voettocht naar de plaats van het optreden. Ze werden gedwongen in de stromende regen het optreden te doorstaan. Ex-gevangene Henk Hovinga vertelt: "Terwijl muzikanten en dirigent, compleet in uniform met samoeraizwaard aan het werk zijn, wordt de hele vertoning op film vastgelegd. Waarschijnlijk om de buitenwacht later te kunnen laten zien dat de krijgsgevangenen het bij de Jappen best leuk hebben." (Eindstatoin Pakang Baroe, 1943-1944, Henk Hovinga; Buijten en Schipperheijn, 1996).

Tot het eind toe waren er een paar muziekinstrumenten in Kamp 2. Na de niet meer te stuiten geruchtenstroom over een eventuele capitulatie liet op donderdagavond 23 augustus 1945, acht dagen na de Japanse capitulatie, de Britse Wingcommander Patrick S. Davis een orkestje van gevangen muzikanten aantreden in een barak van Kamp 2 met ernstig zieken. In aanwezigheid van de kampstaf spreekt Davis de zieken toe, zo vertelt Henk Hovinga: "Tot mijn grote spijt kan ik de geruchten over de komende bevrijding nog niet officieel bevestigen. Maar de muziek die hierna zal worden gespeeld, zal voor jullie voldoende aanwijzing zijn voor wat er, naar mijn vaste overtuiging, aan de hand is ...". De muzikanten zetten daarna het Wilhelmus in. Vervolgens worden de Engelse en Amerikaanse volksliederen gespeeld. Al na de eerste maten verstomt het geroezemoes. En ook na het einde van de muziek blijft het nog even muisstil. Voor de aanwezigen een moment om nooit te vergeten."

Tekst: Frans Schreuder en Nadet Somers