logo
 
zoek
    print
 
 

Strijden voor de vrijheid van Nederland

Suriname werd niet bezet, toch groeide het leger in Suriname na de invoering van de dienstplicht in 1942 uit tot vijfduizend man. Vijfhonderd Surinaamse vrijwilligers kwamen in de frontlinies van de oorlog in Nederlands-Indië terecht. Ze waren in 1944 als soldaat in dienst gekomen van het KNIL, het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. Hen wachtte een onbedoelde betrokkenheid bij de koloniale oorlog. 'Gunners' werkte als dienstplichtigen op de koopvaardijschepen om het geschut te bedienen.


De Surinaamse bevolking stond in de oorlog volledig achter de geallieerde zaak. De Surinaamse schrijver en jurist Hugo Pos (1913-2000) woonde in Nederland en was in 1941 in Canada voor een militaire opleiding. Toen hij zijn ouders in Suriname bezocht werd hem gevraagd in Suriname een voordracht te houden. "Suriname was als kolonie in de oorlog betrokken, omdat het moederland in oorlog was. Het eerste wat me opviel was het enthousiasme van de Surinaamse bevolking voor de geallieerde zaak. Je had het ook anders kunnen verwachten, men had ook leedvermaak kunnen hebben. (...) Van alle kanten hoopte men op een geallieerde overwinning, maar men had geen idee van wat er eigenlijk gebeurd was. Er was nog niemand eerder uit bezet Nederland in Suriname gearriveerd, ik was de eerste. Dat maakte mijn komst, die anders helemaal niet zo opvallen zou zijn geweest, tot een evenement. Het comité Suriname Waakt nodigde me uit om een voordracht te houden in het bioscooptheater Bellevue over wat zich precies in Nederland had afgespeeld. De zaal was werkelijk stampvol." (Oost West en Nederland, episodes uit het leven van Hugo Pos, Jos de Roo; In de Knipscheer, 1986)

Niet welkom in de Prinses Irene Brigade
De voordracht van Hugo Pos enthousiasmeerde een grote groep Surinamers. Vijfhonderd vrijwilligers meldden zich spontaan en enthousiast om in Engeland te worden opgeleid voor de Prinses Irene Brigade. Zover zou het echter niet komen: de Nederlandse overheid was minder enthousiast over het idee. Pos: "Veertig jaar later las ik in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van professor de Jong dat de vrijwilligers door de minister van Oorlog, Van Boeijen, geweigerd werden. Volgens De Jong 'vermoedelijk omdat deze [Van Boeijen] vreesde dat zij binnen de Prinses Irene Brigade aanstoot zouden geven aan de Nederlandse vrijwilligers en dienstplichtigen uit Zuid-Afrika.' Ik kan het me nog altijd niet goed voorstellen. Het ligt ver buiten mijn vooDe liedbundel Zingend naar d'Overwinning is tekenend voor de optimistische strijdvaardigheid uit de oorlogsjaren. Zangbundel van de Dienst O en O, februari 1944 (zie Wegwijzer Suriname)
De liedbundel Zingend naar d'Overwinning is tekenend voor de optimistische strijdvaardigheid uit de oorlogsjaren. Zangbundel van de Dienst O en O, februari 1944 (zie Wegwijzer Suriname)
rstellingsvermogen dat zelf in tijd van nood zulke onzinnige racistische ideeën de besluitvorming konden beïnvloeden." Toch zou minister-president Gerbrandy in de ministerraad van 1 juli 1941 nog opgemerkt hebben dat het uitgesloten was dat 'die nikkertjes' tot de prinses Irene Brigade mochten toetreden.

Strijd als avontuur
Eind 1943 keerde het tij en mocht Suriname toch een actieve rol vervullen in de geallieerde strijd. De minister van Kolonieën Van Mook besloot tot een actieve werving in Suriname over te gaan. Op de radio, via kranten en posters klonken kreten als 'Zie de wereld, pak aan in Australië!' en 'Jongens van Stavast, de Marine roept!'. Gouverneur Kielstra beloofde de vrijwilligers een carrière als beroepsmilitair na terugkomst. Een illusie, zo bleek later. Het duurde nog even voordat er vrijwilligers werden uitgezonden, maar in februari en juli 1944 was het zover. Twee detachementen Surinaamse vrijwilligers vertrokken via Australië naar Nederlands-Indië. De groep bestond uit een kleine tweehonderd Creolen, ruim honderdveertig Javanen, ongeveer veertig blanke Nederlanders en ongeveer vijftien Hindoestanen.

Onbedoeld verzeild in een koloniale oorlog
De vrijwilligers kregen eerst een opleiding in Australië, in Camp Casino in Brisbane. Een groep van tweehonderd man trok vervolgens daadwerkelijk ten strijde tegen de Japanners. De andere vrijwilligers kregen civiele taken toebedeeld. Een aantal jongens had zich aanvankelijk aangemeld voor bewakings- Eerste troepen uit 'De West' (Suriname, Antillen), Casino Camp, Australië. (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
Eerste troepen uit 'De West' (Suriname, Antillen), Casino Camp, Australiƫ. (bron: NIOD/Beeldbank WO2)
en politiediensten, maar in Australië bleek dat ook zij ingedeeld konden worden bij de frontroepen. Ze hadden geen keus: allen die voldoende fit waren, kwamen bij de gevechtstroepen terecht. De Surinamers werden ingezet om in de bevrijde delen van Nieuw-Guinea achtergebleven Japanners op te sporen, wat gebeurde met 'mopping up'-operaties.

Weigering om tegen Javanen te strijden
De Surinamers vochten eveneens voor de bevrijding van de twee belangrijkste oliecentra op Borneo. Na de overgave van Japan op 15 augustus 1945 raakten de vrijwilligers onbedoeld verzeild in de koloniale oorlog van Nederland. Ze weigerden echter tegen de Javanen ten strijde te trekken. Oud-militair Anton Semmoh (1926) vertelt: "Wij wilden niet tegen ze vechten. Onder de Surinaamse militairen waren er ook veel van Javaanse afkomst, afstammelingen van Javaanse contactarbeiders. Sommige Javaanse jongens ontmoetten voor het eerst hun verre familie." Hugo Alberda, destijds de enige Surinaamse legerofficier: "De Nederlandse legerleiding had ons voorgespiegeld dat de Indonesische bevolking nog altijd uitkeek naar de Nederlandse driekleur. Het Indonesische nationalisme leek mij nogal overdreven, maar door de gebeurtenissen op Java ging ik daar toch anders tegenaan kijken." (OSO-blad, mei 1995)

Terug naar Suriname
Om verdere moeilijkheden te voorkomen keerde de groep Surinamers in het najaar van 1946 terug naar Nederland en vervolgens naar Suriname. Dit was snel geregeld. Aan de ene kant omdat de Surinamers als een vrij moeilijke groep werd gezien. Na aankomst in Australië van de groep had zich een aantal raciaal getinte incidenten voorgedaan. Semmoh beschrijft hoe men eerst een scheiding wilde maken tussen donkere Surinamers voor de 'black-section' en lichte Surinamers, een plan dat pas na veel protest niet doorging. Ook was toegezegd dat de Surinamers hetzelfde loon zouden ontvangen als de Nederlandse militairen, terwijl ze het veel lagere loon van inlanders ontvingen. Uiteindelijk werd dit gelijkgetrokken, maar de daadwerkelijke uitbetaling bleef achter. De tweede reden dat de Surinaamse soldaten snel konden terugkeren is waarschijnlijk dat Nederland na de bevrijding veel meer militairen beschikbaar had voor Nederlands-Indië. De inzet van Surinaamse Nederlanders was niet langer nodig.

Tekst: Nicole Janssen