logo
 
zoek
    print
 
 

Jan Koetsier (1911-2006), nuchter musicus met onderhuidse aandacht voor politiek engagement

Dirigent en componist Jan Koetsier was tijdens de Eerste Wereldoorlog, de daaropvolgende Weimar Republiek (1918-1933) en de eerste acht jaren van het Dritte Reich vooral een muzikaal getalenteerde, nuchtere Hollandse jongen in Berlijn. Veel tijd en aandacht voor het ontwikkelen van een serieus politiek engagement had hij niet. Dat kwam pas tijdens de Tweede Wereldoorlog, wat is terug te zien in de teksten van zijn vocale werken en in zijn muzikale thema’s. Koetsier werkte echter zonder veel kritiek op de Duitse bezetter door.

Jan Koetsier (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Jan Koetsier (bron: Nederlands Muziek Instituut)
Jan Koetsier kreeg een Hollands-Duitse opvoeding. Op tweejarige leeftijd verhuisde hij met zijn ouders van zijn geboortestad Amsterdam naar Berlijn, zijn moeder had als zangeres een stipendium gekregen om zich verder te bekwamen in het Duitse liedrepertoire. Zijn vader werd spraakleraar op de Berlijnse toneelschool. Tijdens de Eerste Wereldoorlog reisde het gezin meerdere keren naar familie in Nederland, omdat er in Duitsland een groot gebrek aan voedsel was.

Al in 1918 begon Koetsier aan zijn pianostudie aan de Musikhochschule in Berlijn, in de jaren 1932-1934 studeerde hij daar ook orkestdirectie. Tot 1941 werkte hij in Duitsland als arrangeur, pianist en dirigent, onder meer voor de muziekafdeling van de Kurzwellensender Berlin. Hier werd in 1936 ook zijn eerste orkestwerk, Barock-Suite, opus 10, uitgevoerd. Een jaar later debuteerde hij met ditzelfde werk als gastdirigent bij het Concertgebouworkest. Dat Koetsier als jonge componist stilistisch Duits georiënteerd was, ligt voor de hand. 

Naar Nederland tijdens de oorlogsjaren
“Naar eigen zeggen werd Koetsier in het voorjaar van 1940 door een nazi van de Berliner Rundfunk gewaarschuwd het land zo snel mogelijk te verlaten. Hij volgde zijn raad op en was net te laat om nog tot zijn vaderland te kunnen worden toegelaten, omdat Nederland inmiddels militair bezet gebied was geworden. Om in zijn levensonderhoud te voorzien heeft Koetsier in het seizoen 1940-1941 als begeleider van de danseres Ilse Meudtner een jaar lang op tournee Duitsland doorkruist. In december 1941 werd hem gevraagd in het kader van een Mozart Festival in Den Haag Bastien und Bastienne te dirigeren. Hieruit ontstond de door de DVK (Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten) geïnitieerde ‘Nederlandsche Kameropera’, waarmee Koetsier als dirigent het land door trok. Na slechts een half jaar kon hij tweede dirigent van het Concertgebouworkest worden, als een soort betaalde stageplaats.”

“Op verzoek van Dr. Rudolf Mengelberg, die in 1941 van Seyss-Inquart een dwingend advies had gekregen een Duitser als gastdirigent te engageren, adviseerde Koetsier hem Eugen Jochum te vragen, aangezien Jochum beslist geen nazi was. Bij zijn debuut in Amsterdam dirigeerde Jochum  Symphonische Musik, opus 19 van Jan Koetsier, die zichzelf beschouwde als een leerling van Jochum.” [1] Bij het Concertgebouworkest was Koetsier als tweede dirigent belast met het instuderen van nieuwe werken, het overnemen van repetities bij verhindering van dirigenten en het zelf leiden van een aantal concerten. Hierdoor werd hij ook enorm gestimuleerd om zelf orkestwerken te componeren, hij kreeg ook een aantal Rijksopdrachten. Diverse werken van Koetsier beleefden bij het Concertgebouworkest hun première. Bij het Residentie Orkest vond het Celloconcert zijn weg tot uitvoering. Zijn symfonisch ballet Demeter werd in een choreografie van Yvonne Georgi uitgevoerd door het in 1941 ontstane Gemeentelijk Theaterbedrijf in Amsterdam.

Composities tijdens de bezetting
Tijdens de oorlogsjaren componeerde Koetsier zes werken voor orkest, meestal op verzoek of in opdracht. Daarnaast schreef hij tijdens de oorlog vier werken voor koor, waarvan drie met instrumentale bezettingen. Opvallend hierin is de doordachte tekstkeuze van de componist, zoals Von Gottes und des Menschen Wesen (Silesius) en Gesang der Geister über den Wassern (Goethe). Vooral met de keuze voor Der Mann Lot lijkt Koetsier op symbolische wijze politiek kleur te bekennen: in dit Bijbelse werk wordt de ondergang van Babylon bezongen.

In de Ouverture Valerius voor orkest, opus 22 citeert Koetsier het Nederlandse volkslied O Nederland let op uw Saeck uit Valerius’ Gedenck-Clanck, waarvan vele Nederlanders de tekst kennen. Dit werk voor het Radiomuziekfeest werd op 8 oktober 1942 voor het eerst uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder leiding van Eduard van Beinum. Het Bach-koraal So gehst du nun mein Jesus hin, den Tod für mich zu leiden fungeert als leidraad in Koetsiers Muziek voor twee strijkorkesten, drie trompetten, drie bazuinen en pauken (1943). De invloed van componist Paul Hindemith is hierin duidelijk merkbaar. De première was op 24 november 1943 door het Concertgebouworkest onder leiding van Eugen Jochum. Ook schreef Koetsier onder meer nog het zeer geliefde Sinfonietta voor klein orkest. In 1944 volgde Muziek voor vier orkesten, wellicht het donkerste werk van Koetsier dat pas in 1947 met Van Beinum in première ging.

Veroordeling door Ereraad
Koetsier kreeg het in de eerste jaren na de oorlog zwaar te verduren. Aanvankelijk waren naar het oordeel van de Ereraad, “geen feiten aan het licht gekomen, die den Eereraad aanleiding geven over hem in het bijzonder een uitspraak te doen.” Echter tijdens de zitting van 10 juli 1945, een week na de uitspraak, blijkt er, zo melden de notulen, zóveel bezwarend materiaal tegen Koetsier aanwezig te zijn, dat men het oordeel in het licht van dit materiaal wil herzien en de zaak wil heropenen. Koetsier dient hierop zijn ontslag in bij het Concertgebouw. Daarnaast trekt hij zich onder protest als dirigent en componist terug uit het Nederlandse muziekleven. Dit zal duren “tot het ogenblik zal zijn aangebroken, waarop de onpartijdigheid en het recht zullen zegevieren.” Doorn in het oog is een artikel van Bertus van Lier in De Vrije Katheder, waarin deze onder andere heeft geschreven dat “bij onze belangrijkste muziekinstelling” Jan Koetsier ongehinderd op de bok zit “als een tweede wagenmenner van ons Jan Plezierorkest.” [2] Na twee zittingen van de Ereraad wordt besloten hem voor tien jaar van het Nederlandse podium uit te sluiten. De uitspraak kent drie belastende feiten: het dirigeren van de Nederlandsche Kameropera, het dirigeren van concerten voor de Omroep met het orkest van de Kameropera (april-mei 1943) en het componeren van een ouverture voor het Radiomuziekfeest in 1942.

Koetsier moest zich in zijn lot schikken en deed dat ook, tot hij maanden later de kans kreeg de zaak te heropenen. “Hij gaat in beroep tegen zijn tien jaar 'muzikale uitsluiting'. Gezien de vreemde wijze, waarop in september 1945 de herziene uitspraak van de Ereraad tot stand is gekomen, heeft de Centrale Ereraad in het najaar van 1946 vier zittingen nodig om tot een nader oordeel te komen. De Centrale Ereraad heeft kritiek op 'de geestelijke inslag van de kunstenaar' in de tijd, dat hij bij de Nederlandse Kameropera werkte. Uit de processtukken is evenwel gebleken, dat het DVK grote druk op hem uitoefende om hem voor de Kameropera te houden, maar dat hij daaraan niet toegaf en overstapte naar het Concertgebouw. Zijn vonnis werd herzien en Koetsier kon in december 1946 meteen weer aan het werk in het Concertgebouw.” [2]

Vervolg carrière na de oorlog
In 1948 werd Koetsier tweede dirigent van het Residentie Orkest en leraar orkestdirectie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Vervolgens vroeg dirigent Eugen Jochum hem in 1950 om eerste dirigent van het Symfonie Orkest van de Bayerische Rundfunk in München te worden. Deze positie heeft hij zestien jaar met veel succes vervuld. Vanaf 1963 tot zijn pensioen in 1976 was Koetsier leraar orkestdirectie aan de Musikhochschule in München. Ook bleef hij componeren. Vooral zijn kamermuziekwerken voor koperblazers kregen wereldwijd waardering.

Tekst: Geert van den Dungen


Muziek
Links
Documenten
  • scans archief NMI: correspondentie 1945-46 Ereraad/zuiveringen
Literatuur
  • Muziek in de schaduw van het Derde Rijk / De Nederlandse symfonieorkesten 1933-1945, Pauline Micheels; Walburg Pers, 1993 [2]
  • Nederlandse muziek in de 20-ste eeuw / Voorspel tot een nieuwe dag, Leo Samama; Amsterdam University Press / Salomé, 2006
  • Kunst in crisis en bezetting / Een onderzoek naar de houding van Nederlandse kunstenaars in de periode 1930-1940, Hans Mulder; Het Spectrum, 1978
  • Komponisten in Bayern, Band 19: Jan Koetsier, H. Beermann e.a.; Hans Schneider, Tutzing, 1988 [1]