logo
 
zoek
    print
 
 

Marius Flothuis (1914-2001), erudiet en sociaal-politiek bewogen mens

Componist en musicoloog Marius Flothuis ontwikkelde al jong een sterk sociaal-politiek engagement, wat een beslissende invloed had op de keuzes in zijn leven. Hij was nooit een meeloper, ook tijdens de oorlog waren zijn principes onwankelbaar. Bij Flothuis was muzikaliteit bijna vanzelfsprekend gekoppeld aan een grote mate van eruditie. Hij hield als componist van de klassieke vorm en schuwde het experiment. Het intellect was heersend in alles wat hij in zijn muzikale loopbaan heeft ondernomen. 

Marius Flothuis

Marius Flothuis’ bewustwording van zijn politieke en sociale bewogenheid kregen op het Vossius Gymnasium in Amsterdam een sterke impuls van zijn geschiedenisleraar Jacques Presser. Na het eindexamen in 1932 studeerde Flothuis enkele jaren klassieke letteren en muziekwetenschap. In 1937 werd hij assistent artistieke zaken van Rudolf Mengelberg van het Concertgebouw in Amsterdam. Al in februari 1935 verscheen van Flothuis’ hand een politiek artikel in het tijdschrift De Wereld der Muziek. Hierin werpt hij de vraag op hoe ver de invloed van politiek op de kunst zich mag uitstrekken, zonder het wezen van de muziek aan te tasten. Hij stelt hierin vast, dat in nazistisch Duitsland de invloed van de politiek op de muziek zich in alle geledingen manifesteert.

Actieve rol in verzet
In de oorlog weigerde Flothuis te voldoen aan de door de Duitsers opgelegde verplichting zich te melden bij de Kultuurkamer. Ook de aanvraag tot een dispensatieverzoek, hij was ‘Joodsvermaagschapt’ (dat gold voor iedereen die met iemand van joodse afkomst was getrouwd), ging in tegen zijn principes. Hierdoor moest hij in 1941 zijn ontslag bij het Concertgebouw aanvaarden. Hij was hiermee “de enige individuele werknemer van ‘s lands orkesten die om principiële redenen is opgestapt.” [1] Al snel raakten Flothuis en zijn vrouw betrokken bij het verzet. Ze verspreidden illegale bladen en hadden vanaf augustus 1942 joodse onderduikers in huis. In 1943 werd hij na verraad gearresteerd. Via de gevangenis ‘Amstelveenseweg’ en Kamp Vught (Kon­zentrationslager Hertogenbusch) kwam hij terecht in Oraniënburg (Kamp Sachsenhausen).

Componeren in oorlogstijd
Gedurende de oorlog heeft Flothuis, gezien zijn benarde omstandigheden, vrij veel gecomponeerd. Tijdens zijn verblijf in Kamp Vught werd er bijna dagelijks in ensembleverband gemusiceerd, waardoor Concertprogramma Kamp Vugth, 2 april 1944, met Flothuis als pianist en de uitvoering van zijn Sonata da Camera uit 1943
Concertprogramma Kamp Vugth, 2 april 1944, met Flothuis als pianist en de uitvoering van zijn Sonata da Camera uit 1943
er tussen Flothuis en zijn collega-musici Pieter Dolk, Piet van den Hurk, Nico Richter en Everard van Royen vriendschappen voor het leven ontstonden. Deze inspireerden Flothuis in Kamp Vught tot het schrijven van diverse “op het lijf geschreven composities”. Zo componeerde hij in 1944 het Concert voor fluit en orkest (opus 19) en droeg het op aan Van Royen. Het beleefde met het Radio Kamerorkest onder leiding van Bertus van Lier kort na de bevrijding zijn première. Voor trompettist Pieter Dolk componeerde Flothuis in 1944 de Aria voor trompet en piano (opus 18).

Tijdens zijn verblijf in Sachsenhausen (1944-1945) componeerde Flothuis nog enkele vrij omvangrijke werken, “onder andere een Concert voor hoorn en klein orkest [opus 24], waar ik geen papier voor had om het in partituur te schrijven, maar wel in piano-uittreksel. Een Sonate voor vioolsolo [opus 23, nr.3] en nog een paar kleinere werken. Dus het ging wel door.” [2]

“Ik ben tot mijn grote geluk, ik kan rustig zeggen als dat niet was gebeurd dan zat ik hier niet, na een paar dagen al van Saksenhausen uit naar een ‘buitencommando’, zoals de Duitsers dat noemden, gegaan. Dat was een vliegtuigfabriek, de Hainke Fabrik. Die was in het voorjaar dermate zwaar gebombardeerd dat er niet meer geproduceerd kon worden, maar hij bestond nog wel. We deden dus bijna niks, ik had er een administratief baantje, eerst nog gefunctioneerd als timmerman. We moesten ons als Hollandse gevangenen allemaal melden als timmerman, want dan hadden we de beste kansen om ergens werk te krijgen en ik voegde er meteen zelf aan toe, ‘und Musiker’. Ik kwam in de barak terecht waar de muzikanten waren ondergebracht, waar helaas geen piano was. Dat was een groot nadeel, want ik kon dus niet mee musiceren. Ik kon alleen voor de kapel die er was partijen toevoegen als die ontbraken en ik heb zelf een keer een stuk bewerkt voor de instrumenten die er waren. Het was heel grappig, een Noor kreeg een boek toegestuurd waar een Noors volkslied in voor kwam in een vierstemmige zetting, gewoon als pianomuziek. Ik heb aangeboden om dat te instrumenteren. Dat is ook uitgevoerd en dat leverde natuurlijk weer een bord soep op.” [2]

Bitter verzet tegen uitvoering Wilhelmus door Concertgebouworkest
Na de bevrijding, eind mei 1945, keerde Flothuis in Amsterdam terug en werd hij vrijwel direct aangesteld als muziekmedewerker bij Het Vrije Volk. Naar aanleiding van het eerste naoorlogse concert van het Concertgebouworkest op 29 juli 1945 toonde hij zich in deze krant een verbitterd verzetsstrijder. In de weken voorafgaand aan het concert had zich publiekelijk een ware polemiek ontwikkeld over het wel of niet spelen van het Wilhelmus door het Concertgebouworkest. Het orkest had tijdens de oorlog doorgewerkt en de leden werden tot collaborateur bestempeld. De musici zelf hadden een petitie voor het Militair Gezag (MG) ondertekend, waarin stond dat ze het recht hadden het nationaal volkslied te spelen, te meer omdat het MG hen enkele weken daarvoor nog als ‘goede’ Nederlanders had gekenmerkt.

Flothuis schreef hierover: “De ondertekenaars protesteren daarin [...] en noemen zich ‘goede’ Nederlanders. Deze goede Nederlanders hebben jarenlang alle bevelen [...] opgevolgd, hebben de Joodsche orkestleden ontslagen, de namen van Mendelsshohn en Mahler van de wand verwijderd [...]. Deze goede Nederlanders openen thans hun eerste concert met een stuk, dat het muzikale symbool is van Nederlandsche bevrijdingsstrijd: de ouverture Egmont van Beethoven. En dit wordt door de overheid toegelaten en door het publiek met gejuich begroet. Men vraagt zich af, waarvoor in de laatste jaren zoovele tientallen kunstenaars gevochten hebben tegen de pogingen van de bezetter ons culturele leven met valse ideologieën te besmetten, waarvoor zoovele anderen in die strijd zijn gevallen of in kampen en gevangenissen zijn bezweken. Het is een vechten tegen de bierkaai geweest: zij die aan die strijd niet hebben deelgenomen lachen erom en zijn even machtig als tevoren.” [3]

Na de oorlog
Flothuis had na de oorlog een invloedrijke carrière in de muziekwereld. Zo was hij onder meer bibliothecaris bij Donemus (1946-1950), artistiek leider van het Concertgebouworkest (1955-1974), hoogleraar muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit Utrecht (1974-1982) en voorzitter van het Zentral-Institut für Mozart-Forschung in Salzburg (1980-1994). Geïnspireerd door Mozart, Schubert, Debussy en Boulez werkte Flothuis daarnaast gestaag aan een zeer eigen, niet-modernistisch oeuvre als componist, dat voor een groot deel uit liederen en kamermuziek bestaat.

Tekst: Geert van den Dungen


Muziek
  • Aria voor trompet en piano, opus 18 (1944), opgedragen aan Pieter Dolk, gecomponeerd in Kamp Vught
  • Aubade voor fluit solo, opus 19a [niet beschikbaar op deze site]
  • Sonata da Camera voor fluit en piano, opus 17 (1943) [niet beschikbaar op deze site]
  • Twee sonnetten, opus 10 (1940-1945) [als stream te beluisteren]
Documenten
Links
Literatuur
  • Mijlpalen & keerpunten in de muziek van de twintigste eeuw, Marius Flothuis, redactie Etty Mulder en Lucie Flothuis; Nijmegen University Press, 2003
  • Marius Flothuis, Joyce Kiliaan; Donemus, 1999
  • Nederland en het Duitse exil 1933-1940, Katthinka Dittrich, redactie Hanz Würzner, met bijdrage van Marius Flothuis; Van Gennep, 1982
  • Muziek in de schaduw van het Derde Rijk / De Nederlandse symfonieorkesten 1933-1945, Pauline Micheels; Walburg Pers, 1993 [3]
  • Nederlandse muziek in de 20-ste eeuw / Voorspel tot een nieuwe dag, Leo Samama; Amsterdam University Press / Salomé, 2006 [1]