logo
 
zoek
    print
 
 

Revue om de zinnen te verzetten

Revue en cabaret moest de gevangenen in Westerbork afleiden. Zo was het elke dinsdagavond 'bonte avond' in kamp Westerbork. Keer op keer was de avond uitverkocht. De dinsdagavond was bewust gekozen door kampcommandant Gemmeker, van maart 1943 tot in september 1944 vonden vrijwel elke dinsdagochtend de transporten naar de vernietigingskampen in het oosten plaats. 

Rosen achter de piano in Kamp Westerbork (bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
Rosen achter de piano in Kamp Westerbork (bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
De Gruppe Bühne van kamp Westerbork was een uniek revuegezelschap van een uitzonderlijk hoog niveau. Gevluchte Duits-joodse artiesten als Willy Rosen, Max Ehrlich en Erich Ziegler waren Europese topartiesten. Geen wonder dat Gemmeker zulke befaamde cabaretiers hun vrijstellingen voor transport gunde. Hij begreep dat hij goud in handen had. Geen betere opkikker dan een grap of een lied van de Gruppe Bühne. Om zijn chefs een tevreden kampbevolking te kunnen presenteren had hij artiesten nodig, daarom kon de groep ook zo lang bijeen blijven. Samen met kunstenaars als Camilla Spira, Esther Philipse, Otto Audrich, Mara Rosen, Liesl Frank en de ook na de oorlog furore makende Jetty Cantor hielden zij de moed onder de gevangenen erin.

De artiesten kregen van Gemmeker vrijwel carte blanche. Wel controleerde hij de teksten en de muziek, waarin hij vaak wijzigingen aanbracht of passages schrapte. Hij bezocht regelmatig, maar onverwacht, de repetities. Na de voorstellingen ontving hij de artiesten met cognac en sigaren, en bleef hij tot diep in de nacht met hen converseren.

Cabaret als afleidingsmanoeuvre
De commandant profiteerde er zelf schijnbaar het meeste van. Hij nodigde regelmatig andere SS-ers, zoals Aus der Fünten, uit om mee te genieten van zijn theatergezelschap. Het bevestigde zijn positie en status. Maar vooral wilde hij dat de gevangenen door het cabaret werden afgeleid. De revue was dan ook niet alleen maar een tijdverdrijf voor de Duitse bewakers. Naast de Duitse toeschouwers rond Gemmeker, werd de zaal tot aan de laatste plaats bezet door de gevangenen. De voorstellingen vonden plaats op de dinsdagavond. Van maart 1943 tot in september 1944 vertrokken bijna elke dinsdagmorgen de treinen naar Polen, waarna er ’s avonds afleiding werd gegeven in de theaterzaal. "Ik zou u nooit vragen te spelen op een avond voor een transport. Maar de avond erna, dan is het juist heel goed, het leidt af, het brengt de mensen op andere gedachten", zei Gemmeker tegen Ehrlich.

Vooral de jongeren deden er alles aan om een kaartje te bemachtigen. De voorstellingen waren altijd lang vooraf uitverkocht en de strijd om de kaartjes was fel. Er was grote bewondering voor de acteer- en muziekprestaties, er De Westerborkgirls op het toneel (bron: Herinneringscentrum Westerbork)
De Westerborkgirls op het toneel (bron: Herinneringscentrum Westerbork)
werd uitbundig gelachen om de witzen. Men genoot van de tekst en melodie van liedjes die vaak over het kamp gingen en van de glossen van conferencier Ehrlich. Iets van deze enthousiaste sfeer is te zien op de filmopnames van Rudolf Breslauer uit 1944, met beelden van een revue (zie einde deel 4).

Dagelijks optreden van Johnny & Jones in het Kaffeehaus
Niet alleen op de Gruppe Bühne werd enthousiast gereageerd. Op meerdere plekken in het kamp kon men getuige zijn van grote muzikale talenten. Het Amsterdamse duo Johnny & Jones speelde bijna dagelijks in het café. Een jonge kampbewoner: "(…) ik ging vaak ’s avonds naar Johnny en Jones in het Kaffeehaus. Zo vaak ik maar kon. En één van hun grote fans in het koffiehuis was die eenarmige SS-er, Nederlandse SS-er die daar rondliep in die periode. (…) Hij kwam elke avond naar Johnny & Jones kijken en luisteren. Niet om te bewaken, maar echt om te kijken."

Jeugdige kampbewoners zetten schijnbaar hun leven van voor de gevangenschap voort in het kamp. Ze zochten gezelligheid en ontspanning. Oud-kampgevangene Fred Schwarz beschrijft die sfeer treffend in zijn boek Treinen op dood spoor (1994): "Aan onze tafel zit de stemming er meteen in. Jetty Cantor, een uitstekende zangeres, zingt een liedje uit de nieuwe revue, Ich hab es heut’ Nacht den Sternen erzählt, ich liebe Dich. (…) Dit moet een wereldsucces worden na de oorlog. De melodie ligt gemakkelijk in het gehoor, na het derde couplet zing iedereen het al mee. (…) De tijd vliegt, het café sluit. Wij beiden [met vriendin Carry] zijn het eerst buiten. Sterrenheem. Stevig gearmd, neuriënd Ich hab en heut’ Nacht, lopen we naar huis."

"Ieder doet zijn best alles te vergeten"
Ook beschrijft Schwarz een bezoek aan de revue. "Vanavond gaan we samen naar de revue. Je ziet aan de mensen dat het een echt avondje uit is, ieder doet z’n best om alles te vergeten. Men is zo goed mogelijk gekleed en ook wij voelen ons alsof we naar de opera gaan. (…) We genieten. Als Jetty Cantor ons lied Ich hab es heut’ Nacht zingt houden we elkaar goed vast, de avond kan niet meer stuk. Op weg naar huis kussen we elkaar voor het eerst echt, de melodie van dit liedje moet ons herkenningsfluitje worden."

Ieder doet z’n best om alles te vergeten... Philip Mechanicus, de journalist die het kampleven en de ontspanning Progamma bonte avond, juni 1944 (bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
Progamma bonte avond, juni 1944 (bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
op cynische wijze ontleedde, noemde dit gevoel zelfbedrog. "Zij willen zich de revue, het uitje niet laten ontgaan, zij hebben op Westerbork niets." Oud-kampgevangene Hans Margules stelde dat een avondje lachen de onzekerheid en de dagelijkse sleur deed vergeten. "We vonden het heerlijk om die beroemde liedjes die we nog uit Duitsland kenden te horen."

Weigering om de revue te bezoeken
Het avondje uit om de ellende te vergeten was voor de meesten een illusie. Velen konden niet ongedwongen genieten van de allerbeste cabaretprogramma’s die ooit in Nederland waren vertoond. De observator Mechanicus beschreef dat een groot deel van het publiek, ondanks de inspanningen van Gemmeker en de Gruppe Bühne, niet bereid was zich te laten gaan. Ook de aanmoedigingen van de spelers veranderden daar weinig aan. Steeds weer was enkel het jeugdige publiek bereid mee te zingen en te klappen, maar "..de oude generatie bewaart het stilzwijgen, kan niet uit de plooi komen na het leed, dat zij ondergaat en nog elke dag ondergaat."

Een deel van de kampbewoners, zowel Duitse als Nederlandse joden, weigerde de voorstellingen van de revue te bezoeken. Voor hen was de tegenstelling tussen het cabaret en de tragiek van de transporten te schrijnend. Ze konden niet genieten van dans en muziek terwijl hun familieleden in Polen een onbekend lot ondergingen. Ook zangeres Jetty Cantor noemde deze groep in een interview met cineast Willy Lindwer. "Toch was het cabaret bepaald niet bij iedereen geliefd. Vele kampingezetenen ergerden zich eraan dat er voor de Duitsers werd opgetreden onder zulke tragische omstandigheden. En bezochten de voorstellingen niet." Presser stelt dat een aantal gevangenen zich verre van deze ‘dans om de galg’ hield. Maar vaak konden ze toch geen weerstand bieden "aan zulk een gelegenheid, iets te krijgen van een afleiding, van een gezelligheid, die in de barakken op normale wijze niet te vinden was."

Mechanicus en Hillesum oordelen hard
Kroniekschrijvers Mechanicus en Hillesum waren vaak hard en cynisch in hun oordeel. Mechanicus bezocht verschillende voorstellingen en observeerde de spelers en het publiek. Jacob Boas, in kamp Westerbork geboren, beschrijft Mechanicus. "Onder de toeschouwers bevindt zich die avond Mechanicus. Zoals gewoonlijk is hij niet gekomen om zich te vermaken, maar om rond te kijken en de gebeurtenissen op te tekenen. Terwijl hij daar rustig zit, observeert hij de reacties van de mensen om hem heen." Mechanicus veracht Gemmeker zoals hij de revue stimuleert. "Het zal ons een zorg zijn, of hij ons op amusementsmuziek wil trakteren en of zijn cabaretvoorstellingen-met–een-vieze-bijsmaak al of niet worden voortgezet. We wachten op de ineenstorting van het regime."

Mechanicus bekritiseerde de spelers, zijn ‘rasgenoten-in-de-ellende’, die "zich op last van de Obersturmführer,Cabaratière Esther Philipse, toneel kamp Westerbork (bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
Cabaratière Esther Philipse, toneel kamp Westerbork (bron: Herinneringscentrum Kamp Westerbork)
die tuk is op gezellige avondjes, zo laf en karakterloos aanstellen. […] Wat een geestelijke drek, wat een stal. […] Terwijl in alle barakken, op alle hoeken van straten mannen en vrouwen hun toekomstig lot stonden te schatten, moeders zaten te schreien over de toekomst van hun kinderen, mannen vrouwen zaten te troosten, de strafbarak vol zit met mannen en vrouwen, zaten de commandant en de elite der joden van Westerbork te luisteren naar de geestigheden van Max Ehrlich, de maker van de revue, te staren naar de leutige, losse dansen van joodse vrouwen."

Mechanicus en Hillesum beschreven niet alleen met gemengde gevoelens het enthousiaste publiek en het cynische gedrag van hun bewakers. De spelers van de Gruppe Bühne werden met afschuw en medelijden neergezet. Hillesum noemde de revuesterren ‘hofnarren van de commandant’. Zij had zowel afschuw voor als medelijden met een artiest die overdag de bezittingen van de transportslachtoffers naar de trein kruide en zich ’s avonds koesterde in de aanbidding van het cabaretpubliek. Ze spreekt over hen met bijtende ironie en nauwelijks verholen minachting.

Lot kampbewoners
Rosen en Ehrlich kwamen in Theresiënstadt terecht, ze stierven uiteindelijk in de gaskamers van Auschwitz. Ziegler was een van de weinige overlevenden, hij was in kamp Westerbork achtergebleven. Johnny & Jones kwamen via Theresiënstadt en onder andere Auschwitz in Bergen-Belsen terecht, waar ze vlak voor de bevrijding stierven. Hillesum zat in het transport van 7 september 1943 naar Auschwitz, waar ze nog datzelfde jaar stierf op 30 november. Mechanicus werd op 15 maart 1944 gedeporteerd naar Bergen-Belsen en van daar op 9 oktober 1944 naar Auschwitz. Op 15 oktober 1944 is hij vermoedelijk daar geëxecuteerd.

Tekst: Dirk Mulder, Ben Prinsen