logo
 
zoek
    print
 
 
NL  »  Toelichtingen  »  Musique pour l'esprit en deuil
 

Musique pour l'esprit en deuil

Bron: Mensch en Melodie, Wouter Paap, 2/1946

Wouter Paap
Wouter Paap
"Het is wel opmerkelijk, dat in den titel van beide onder directen invloed van den oorlogsgeest geschreven werken het woord 'rouw' wordt toegepast. Dit zou misschien het vermoeden kunnen wekken, dat deze stukken bedoeld zijn als een herdenking van de gevallenen in den oorlog. Dit is echter in geen van beide composities het geval. Zoowel bij Oboussier als bij Escher slaat het woord rouw op den desolaten geestestoestand, welke de oorlog bij den mensch in staat is te veroorzaken. De met den oorlog gepaard gaande totale vernieling druischt immers volkomen in tegen de scheppende krachten, waardoor de kunstenaar zich van nature bezield gevoelt. In een opstel over Maurice Ravel heeft Rudolf Escher zich reeds vóór het uitbreken van den Tweeden Wereldoorlog rekenschap gegeven van de reactie, welke de oorlog als algemeen verschijnsel (dus even los gezien van zijn doel) bij den kunstenaar verwekken moet. Hij zette daar uiteen, hoe de oorlog, als de realiteit geworden destructie, in het hooger georganiseerde, uiterst gevoelige zieleleven van een scheppend kunstenaar, dat in wezen geheel op constructie is gericht, niet anders dan verwondingen teweeg kan brengen. Het spreekt vanzelf, dat het woord constructie in dit verband breeder en vooral minder zakelijk opgevat dient te worden, dan doorgaans gebruikelijk is. In het woord constructie ligt hier de inspiratie opgesloten: het doelt rechtstreeks op de creativiteit en raakt dus de opperste bestemming van den mensch.

In dezen zin is het, dat de oorlog op de Musique pour l'esprit en deuil van Rudolf Escher zijn stempel heeft gedrukt. Het werk is geboren uit een behoefte, om aan den destructieven oorlogsgeest weerstand te bieden, doch hierbij moet onmiddellijk opgemerkt worden, dat dit conflict zich op een zuiver muzikaal plan beweegt, zonder eenige programmatische bijbedoeling. Dit maakt het ook uiterst moeilijk, om van deze muziek een beschrijving te geven. Zij wil niet beschreven, doch zij wil beluisterd worden. Willem Pijper heeft eens geschreven, dat een componist alleen datgene componeert, wat hij niet op andere wijze uiten, mededeelen kan. Deze woorden zijn op dit werk van zijn oud-leerling Rudolf Escher zeer toepasselijk, doch dit neemt niet weg, dat men zich op hetgeen men de 'innerlijke handeling' van deze muziek zou kunnen noemen, eenigszins, kan voorbereiden, wanneer men kennis neemt van de voornaamste gedachten, welke aan deze muziek ten grondslag liggen. In de hierbij afgedrukte voorbeelden zijn enkele momenten weergegeven, waarop de voornaamste thema's van het werk met elkander in contact treden. De thema's I en IV verwekken een lyrische en epische geaardheid, welke door thema V, dat voor een groot deel de doorwerking beheerscht (het werk is in den hoofdvorm geschreven), hardnekkig verstoord dreigt te worden. Met de noodige omzichtigheid zou men thema V het ramp-thema kunnen noemen. Het kan ook beschouwd worden als de antagonist in het drama. De andere thema's trachten het te doorbreken, hetgeen tenslotte ook geschiedt, docht men moet niet verwachten, dat dit met overwinningsfanfares gepaard gaat. Veeleer is aan het einde van het stuk van resignatie sprake.

Het proces, dat zich in dit werk langs de wegen der muziek voltrekt, kan, zooals gezegd, moeilijk in woorden worden uitgedrukt. Doch uit de bovenstaande globale aanduiding blijkt in ieder geval wel, dat wij hier niet met abstracte muziek te doen hebben. Deze compositie draagt een uitgesproken 'menschelijk' accent en dit is des te opmerkingswaardiger, daar Rudolf Escher van nature geen romanticus is. Hij streeft als componist en als schrijver over muziek vóór alles naar exactheid, bezit een sterk gevoel voor de zelfwerkzaamheid der muziek en het zou hem tegen de borst stuiten, de muziek met bestanddeelen te vermengen, welke haar wezen niet eigen zijn. Wanneer men zijn vroegere werken in oogenschouw neemt, bijvoorbeeld de Pianosonate van 1935, zou men geneigd zijn hem te rangschikken onder de componisten, die in de afgeslotenheid der motivische verwikkelingen een volledige bevrediging vinden. Uit de Musique pour l'Esprit en deuil spreekt echte een geheel anderen geest. In de plaats van den motivischen telegramstijl zijn thematische spanningen getreden, welke een langeren adem en een breedere curve bezitten, en het menschelijk aandoeningsleven spontaan in zich opnemen. De psychische druk, waaronder men in oorlogstijd verkeerde, is aan deze evolutie van den componist zeker niet vreemd geweest. In het artikel waarmede het eerste nummer van dit tijdschrift werd ingeleid, werd reeds gezinspeeld op de verwachting, dat onze moderne muziek een sterkere zielsbewogenheid aan den dag zal gaan leggen. In hoeverre deze profetie grond bezit, zal de toekomst uitwijzen, doch de Musique pour l'Esprit en deuil van Rudolf Escher mag in dit verband wel als een symptoom beschouw worden!

Over de artistieke beteekenis van dit werk kan eerst geoordeeld worden, wanneer het tot klinken wordt gebracht. De première, welke waarschijnlijk nog in dit seizoen door het Concertgebouw-orkest onder leiding van Eduard van Beinum gegeven zla worden, verdient met een zekere spanning tegemoet gezien te worden."